Maandelijks archief: april 2007

Twee dagen geleden

Twee dagen geleden zag ik er nog heel gezond uit. Ik heb er zelfs een foto van. Sindsdien heb ik twee nachten niet geslapen. De eerste nacht dat ik niet sliep, dronk ik wodka met mijn dichters. De tweede nacht dronk ik wodka met een volleybalspeler, die zo leuk was dat ik er rustig een nacht voor oversloeg. Vanavond begint de nacht van de koningin. Ik ga die compleet aan mij voorbij laten gaan.

De Nieuwe Anita

Mijn vriendin Froukje is bestsellerdichter. Dat klinkt net zo stoer als het is. Twee van haar gedichten zijn uitgeroepen tot beste gedichten van 2006. Later gaat ze trouwen met mijn dichtende vriend Willem. Allebei hebben ze het idee dat ze nooit bij elkaar waren geweest als ik niet avonden lang tegen beiden had geroepen dat ze zo leuk waren. ‘Ze is echt heel leuk,’ siste ik in Willems oor als hij ook maar even naar een andere vrouw keek. En ‘hij is de leukste jongen die ik ken,’ verzekerde ik haar als ze per ongeluk een ander zoende. Wat ik in hen beiden zag, zagen ze uiteindelijk ook in elkaar.

Gisteravond traden ze op in cafe de Nieuwe Anita in Amsterdam. Omdat hun dank eeuwig groot is, schonken ze me de hele avond gratis wodka in. Ook de vriend die ik na twee jaar per toeval weer tegen het lijf liep werd bijgeschonken en ook zijn vriend deelde mee in het wodkafeest. Het loont ongelooflijk om mensen te koppelen.

Als ik te veel wodka drink, doe ik niets lievers. Ik zie onwaarschijnlijke combinaties van mensen die volgens mij alleen nog maar gelukkig kunnen worden als ze samen door het leven gaan. De dichter met de bril, die prima past bij de oude dronken vrouw zonder voortanden, de stewardess die duidelijk verder moet met de clacqeur, de grappige lange jongen die het beste past bij zes meisjes op de Nieuwmarkt. Alleen het leuke barmeisje had nog steeds geen vriend. Althans, dat dacht ik, want tot mijn schrik was het leuke barmeisje al helemaal gelukkig met een man met een bochel en een horrelvoet. Koppelen is niet eenvoudig. Je moet er jaren voor oefenen.

Pioenrozen

Het liefst had ik een geheime aanbidder die mij elke week een bos bloemen stuurde. En om alle misverstanden uit de weg te ruimen: het gaat mij niet om de aanbidder, maar om de bloemen. Ik kan niets leukers bedenken dan dat er op een doordeweekse dag bloemen worden bezorgd op mijn kantoortje aan de gracht. De journalisten – en 1 dichter – met wie ik mijn kantoortje deel, lieten vorig jaar elke week een bos bloemen bezorgen. Een verjaardagscadeau om nooit meer te vergeten. Soms kwamen er ook bloemen van mensen die ik nog net op tijd voor een tram wegtrok, of van mensen die ik uit de gracht had gevist. Twee dagen geleden kreeg ik een bos tulpen van een journaliste die Tulp heet en vandaag werd er een bos bloemen bezorgd door een journaliste van Vrij Nederland die ik aan een boektitel had geholpen. Omringd door tulpen en pioenrozen, weet ik het nu zeker: ik had nooit schrijfster moeten worden. Ik moet een bloemenstalletje beginnen!

Een brief schrijven

Vanochtend lag er een brief in mijn brievenbus. Er zat geen blauwe envelop om heen, het was gewoon een brief. Een brief van een vriend uit een ver verleden. Honderd jaar geleden, toen ik in Ierland woonde en hij in Amsterdam, schreven we elkaar elke week. Daarna verloren we elkaar per ongeluk uit het oog. Hij had me zien zitten op een terras op de Nieuwmarkt en had besloten me te schrijven. Over het leven dat hij leidde in de tijd dat ik hem even een decennium of twee niet zag. Ik was ontroerd en besloot nooit meer te mailen en in plaats daarvan handgeschreven brieven te sturen naar al mijn vrienden. Ik kan soms boos worden als mensen niet terug schrijven als ik ze een e-mail heb gestuurd. Maar dat gevaar zit er straks niet meer in, want wie durft nou een handgeschreven brief te negeren?

Ooit schreef ik bijna dagelijks met een vriend ver weg. E-mail bestond nog niet zo lang en het was leuk om elke dag een brief te krijgen. Ook daar kwam de klad in en we verloren elkaar niet alleen uit het oog, maar ook uit het hart. De laatste mail die ik ontving eindigde met de zinsnede: ‘het ga je goed’. Wie dat schrijft, kan er zeker van zijn nooit meer antwoord te krijgen – al ben ik niet zo rigoreus als ik soms klink. Hoe dol ik ook ben op schrijven en e-mails ontvangen, ik ga van medium veranderen.

Het grote nadeel van een handgeschreven brief is dat ik niet goed meer kan schrijven. ‘Kun je je eigen handschrift wel lezen?’ vraagt iedereen die ik interview. Ik knik dan zelfverzekerd, maar zit daarna vaak nachtenlang naar mijn zelfverzonnen steno te turen. Ik moet het toegeven: ook ik kan mijn handschrift niet meer lezen. Toch zal een van mijn vrienden binnenkort verrast worden door een epistel van mijn hand. Ik moet nog ergens een envelop hebben liggen en misschien zelfs een postzegel.

De groene dreack

In het jaar dat prins Willem Alexander en Maxima trouwden had ik nog geen blog. Had ik dat toen wel gehad, dan had ik geschreven over de boot die ze niet kregen. Uit betrouwbare bron hoorde ik in die tijd dat het Nederlands bedrijfsleven besloten had een boot cadeau te doen aan het jonge bruidspaar. De top van het Nederlands bedrijfsleven schreef daarom een aardige brief naar koningin Beatrix om haar op de hoogte brengen. Volgens de apocrieven schreef Beatrix daarop een brief terug waarin stond dat het jonge paar vast heel blij zou zijn met een boot, maar dat een boot ook geld kostte en dat het leuk zou zijn als het Nederlands bedrijfsleven ook een leven lang zou betalen voor het onderhoud en liggeld van de boot. Volgens mijn zeer goed ingelichte bron waren de zakenmannen en -vrouwen ‘not amused’ en hebben ze een aardige brief terug geschreven dat ze besloten hadden om volledig af te zien van het cadeau. En daarom dat Juliana en Bernhard bij hun trouwen de Piet Hein kregen van het Nederlandse bedrijfsleven, Beatrix op haar achttiende verjaardag de Groene Draeck kreeg en Willem Alexander en Maxima nooit een eigen boot hebben gekregen.

Omdat het koningshuis mij net zo veel interesseert als de huisvuilinzameling van Geertruidenberg, de koers van de Yen en de actuele waterstanden van de Donau, was ik die hele boot alweer vergeten. Ware het niet dat ik vorige week op het jubileumfeest van Vrouw en Media journaliste Sandra Rottenberg zag lopen. Ooit bezocht ik samen met haar een lezing van Elsbeth Etty. Het ging over journalistieke vrijheid bij het schrijven van columns en bronnengebruik. Ik vertelde het verhaal van de boot en vroeg Etty of zij in mijn geval het verhaal – zonder tweede bron – zou gebruiken. Zowel zij als Sandra Rottenberg vonden dat het een goed verhaal was, maar dat die tweede bron absoluut noodzakelijk was. Sandra en ik fietsten een stuk dezelfde kant op. Bij het afscheid nemen, riep ze me nog na: ‘Vind die tweede bron!’

En zo kwam het (om een lange blog nog langer te maken…) dat ik weer dacht aan het verhaal van de boot. Ik vraag me zelfs af of Willem Alexander zelf weet waarom hij nooit een boot heeft gekregen. Een waterprins zonder boot, alleen omdat zijn moeder zo inhalig was.

Natuurlijk heb ik geen tweede bron. Over het koningshuis wordt altijd gezwegen. Maar ik ben van de Ierse stroming in de journalistiek, die zegt: ‘Never let the truth get in the way of a good story.’

Zijn begrafenis

Met twee vrienden was ik op weg naar een crematie in Rotterdam. We draaiden stemmige Spaanse muziek en aten plakjes cake om alvast in de stemming te komen. Onze eigen begrafenissen kwamen ter sprake omdat ook wij op een dag niet meer jong en mooi en gezond zouden zijn. Ik vertelde enthousiast over de mijne, die ik in de afgelopen twintig jaar tot in detail heb uitgewerkt. Ik wil iets op een heuvel aan zee, in de herfst met striemende regen of een lekker herfstzonnetje. Iedereen moet in het zwart, vrouwen ook met handschoenen, hoed en voile. Er moet veel drank zijn en eten en na afloop moet iedereen zo lang mogelijk bij elkaar zitten. Picknickend op een kleedje.

Aangekomen bij het crematorium in Rotterdam kwam ik erachter dat ik mijn zakdoek was vergeten. Bij mijn begrafenis wil ik dat iedereen een zakdoekje krijgt uitgereikt, wit linnen met een geborduurd bloemetje. Hoe langer ik in de zaal zat, hoe harder ik moest huilen. Er klonk Satie, er waren toespraken, er waren heel veel momenten van stilte en snikkende mensen, er was mijn vriendin die op de voorste rij als verse nabestaande zat en die mijn hart brak telkens als ik naar haar keek. Naast mij zat burgemeester Opstelten. Hij is een grote man met een heel groot pak met hele grote revers. Ik hoefde niet lang te twijfelen. Bij het derde pianoconcert van Satie was hij even afgeleid en veegde ik mijn neus af aan zijn revers. Gelukkig zijn burgemeesters echte diplomaten. Hij deed net of hij het niet merkte. Later, op mijn eigen begrafenis wil ik geen zakdoekjes uitgedeeld hebben, ik wil de burgemeester van Rotterdam naast de kist hebben staan zodat iedereen nog even zijn neus kan snuiten in zijn kostuum.

Vrouw en media

Twee keer kreeg ik een rondleiding door de Industrieele Groote Club, een societeit voor heren. Dat klinkt naar een plek waar mannen iets met schaars geklede dames doen, maar niets is minder waar. De dames die er rondlopen dragen ook gewoon kleren. Iets met rokjes en hakjes. Iedereen rookt er, dat is altijd leuk. Vanavond ga ik er ook een sigaartje roken, al ben ik acht uur geleden gestopt met roken. Voor de Industrieele Groote Club maak ik graag een uitzondering. Vanavond houdt de Stichting Vrouw en Media er een groot feest omdat ze (we) 25 jaar bestaan. Ik heb vandaag de gastenlijst bestudeerd en ontdekte tot mijn schrik dat ik niemand op de lijst kende. Vanavond ga ik daar verandering in brengen. Ik ga de hele avond proosten met mijn nieuwe vriendinnen. We drinken op de vrouwelijke journalisten, die de leukste zijn van alle vrouwelijke journalisten!