Manon Sikkel

Entries from april 2008

Ik blog au revoir

april 29, 2008 · Laat een reactie achter

‘Kan het zijn dat ik u zag fietsen over de Jodenbreestraat?’ vroeg het lezertje. U had petroleumblauwe laarzen aan en uw haar was opgestoken. U fietste heel snel. Ik riep nog, want u reed bijna over mijn tenen.’

‘Ja, dat was ik,’ antwoordde ik het lezertje. Wat leuk dat u mij herkende. Niemand herkent mij ooit. De meeste mensen denken dat ik niet eens besta. Ik ben mijn eigen schaduw. Een schaduw met petroleumblauwe laarzen en opgestoken haar. Pas als ik iemand over zijn tenen rijd, beginnen mensen mijn naam te roepen, maar nooit als ik gewoon langsloop.’

‘Sorry,’ zei het lezertje. ‘Voortaan zal ik altijd naar u roepen. Waar u ook gaat en waar u ook staat. Net zo lang tot u gek wordt van het horen van uw eigen naam.’

Ik zwaaide naar het lezertje en zei: au revoir. Die vrouw in Parijs met petroleumblauwe laarzen en opgestoken haar, dat ben ik. Maar ik kom terug, dat weet ik zeker.

Categorieën: Uncategorized

IJsbeer in nood

april 28, 2008 · 1 Reactie

Gisteren liep ik mee met een demonstratie van het Wereld Natuurfonds om de ijsbeer te redden. Zeven vrijwilligers van safaripark de Beekse Bergen hadden zich speciaal voor dat doel in een lekker warm ijsberenpak gehesen en liepen voorop. ‘IJsbeer in nood, ijsbeer in nood,’ scandeerden de tweehonderd kinderen die met spandoeken door het safaripark liepen. Tussen hen liep mijn zoon. Zijn liefde voor ijsberen komt waarschijnlijk voort uit een trauma waar hij zich niets van herinnert. Vlak na zijn geboorte woonde hij een paar maanden op de Intensive Care van het ziekenhuis waar hij hard zijn best deed om een gewone jongen te worden. Naast zijn kleine witte hoofd stond een grote witte pluchen ijsbeer die hem daarbij moest helpen. De ijsbeer kreeg magische krachten. Zolang die beer daar stond zou hij alles overleven, zo hield ik mijzelf voor. Dankzij de ijsbeer en de kinderartsen die dag en nacht rond zijn bed cirkelden, mocht hij op een dag naar een gewoon ziekenhuis. Ik zoende mijn zoon en bedankte de ijsbeer voor bewezen diensten. Een dag later was de beer weg. Niet even weg, maar onvindbaar weg. Ik sprak de dienstdoende verpleegster toe. Eerst vriendelijk, daarna streng en vervolgens liet ik al mijn verdriet en woede en wanhoop van de maanden daarvoor op haar los. Dat ze op mijn zoon moest passen was logisch, maar dat ze de ijsbeer uit het oog had verloren, nam ik haar en al haar nazaten kwalijk. Branden in de hel zou ze. Snikkend verliet ik het ziekenhuis, jonge overspannen moeder. Een dag later ging de telefoon. Ik was in diepe slaap, maar liet me voor goed nieuws graag wakker maken. ‘Hallo, ik heb heel goed nieuws,’ sprak de verpleegster die ik een dag ervoor nog naar het vagevuur had gewenst. Opgelucht haalde ik adem. Ik stond al bijna klaar om mijn zoon uit het ziekenhuis te gaan halen. ‘Ik heb het ijsbeertje gevonden!’ riep ze met overslaande stem, blij en opgelucht als ze was waarschijnlijk. Nooit eerder was ik zo teleurgesteld geweest. Ik was die hele stomme ijsbeer alweer vergeten en wilde mijn zoon in mijn armen nemen. ‘Wat fijn dat de ijsbeer is gevonden,’ zei ik zo beleefd als ik kon. Een week later mocht ik zowel mijn zoon als de bijbehorende ijsbeer mee naar huis nemen. En zeven jaar daarna liep ik op de warmste dag van april door een safaripark en riep: ‘IJsbeer in nood, ijsbeer in nood.’ Alles was goed gekomen.

Categorieën: Uncategorized

De huisarts die liever stukadoor was III

april 27, 2008 · 2 Reacties

Door de stromende regen fietste ik over de Herengracht in Amsterdam met een plastic tasje van Uitgeverij Bert Bakker aan mijn stuur. Daarin de tien eerste exemplaren van mijn nieuwste boek. Het is eigenlijk het allerleukste moment van een boek schrijven. Die vijf minuten op de fiets van de uitgeverij naar mijn kantoortje op de gracht. Het moment waarop het boek er wel al is, maar nog niet in de winkel ligt. Als alle bladzijden nog naar drukinkt ruiken en het boek alleen nog maar van mij is. Een jaar geleden was de werktitel nog ’De chirurg die liever tuinman was’, maar mijn co-auteur en ik konden nergens een chirurg vinden met groene vingers. Gelukkig maar, want het titelverhaal van dit boek is een fijn verhaal geworden. ‘Welk verhaal ik het leukst vond?’ vroeg de vrouw van de radio, die mij belde terwijl ik met de tas boeken aan het stuur door de regen zwiepte met mijn fiets. Ik vond het een gekke vraag. Iedereen in dit boek is namelijk even leuk. Jammer voor u, lezertje, dat u nog twee weken moet wachten. 

Categorieën: Uncategorized

Vroeger gebeurde er nooit wat

april 21, 2008 · 1 Reactie

 

Vroeger gebeurde er nooit wat in het dorp waar ik woon. Wij brachten onze dagen in ledigheid door. Dagen lang zaten we op de bankjes op het plein en kauwden kauwgom. Wie zijn kauwgom het verst kon spugen had gewonnen. Het was een onschuldige bezigheid die geen lawaai maakte. Na een zomer lang spuugwedstrijden op het dorpsplein was er een vrouw die niet kon slapen van dat gespuug. ‘Vieze lama’s’ schreeuwde ze vanaf haar balkon. Wij zwaaiden altijd vriendelijk terug. Maar toen ze ook met bierblikjes begon te gooien, besloten we om de gemeente te bellen. We wilden een fontein op het plein. Het liefst een fontein die heel veel lawaai zou maken zodat we de boze buurvrouw niet meer zouden horen.
De fontein was prachtig. Twee ontwerpers waren er speciaal voor naar Milaan gegaan om een replica te maken van een kletterend exemplaar. Een zomer lang zaten we rond de fontein en dronken wijn op het plein terwijl onze kinderen bloot door de fontein renden. En als het heel warm werd, deden ook wij onze kleren uit en dansten rond de fontein. Soms zongen we liedjes. Er was zelfs iemand met een gitaar. Water en gitaar is altijd leuk. We prezen onszelf nu extra gelukkig.
Tot op een dag de fontein stil viel. De boze buurvrouw, die niet kon slapen van al dat zingen, dansen en gitaarspelen, had geklaagd bij de gemeente. Weg fontein. Van verveling namen we weer plaats op de bankjes en begonnen maar weer kauwgom te spugen.
Een paar weken geleden kwam er een vriendelijke brief van de wethouder die ons beloofde dat de fontein weer aan zou gaan. Niet elke dag en ook niet de hele dag, maar in ieder geval tussen twaalf en kwart voor twaalf ’s middags en tussen vijf voor drie en tien over drie ’s nachts. Iedereen in het dorp juichte. Het was het beste nieuws dat we in tijden hadden gehoord. Eindelijk gebeurde er weer wat!

Categorieën: Uncategorized
getagged: , ,

Seks en overspel

april 20, 2008 · Laat een reactie achter

De redacteuren met wie ik op reis ging naar Club Med hadden me gewaarschuwd. Alle gesprekken zouden over seks en overspel gaan. Eenmaal aangekomen op het eiland in de zon bleken niet de gesprekken, maar de redacteuren over seks en overspel te gaan. Ze stortten zich in de armen van de man van het kaasbuffet, lonkten naar de golfleraar en wurmden zich onder de djellebah van de ober. ‘Wat ik liever wilde?’ vroegen de redacteuren. ‘Een man die seks had met mij en aan een ander dacht of een man die seks met een ander had en aan mij dacht?’ Het bleek een strikvraag, want mannen schijnen altijd voor optie 1 te kiezen, vrouwen altijd voor optie 2. Ondanks de waarschuwing was ik overdonderd door het thema. Vraag mij om een avond lang te praten over Prins Maurits en ik draai er mijn hand niet voor om, maar seks en overspel, wat kon ik daar nu over zeggen? Maar de redacteuren gaven niet zo snel op. ‘Stel,’ zei een redactrice met luide stem, terwijl ze haar zonnebril op het puntje van haar neus schoof, ‘dat je al tien jaar geen seks hebt gehad en dan komt deze man in je leven….’ Ik vroeg haar welke man ze bedoelde. ‘De man die nu het terras op komt,’ zei ze, haar hoofd zwiepend in de richting van de lichtroze man in korte broek die langs ons liep. ‘Stel je moet seks met hem hebben.’ Ze sloeg haar benen over elkaar en schortte haar rok wat hoger op. ‘Je bedoelt de Belg?’ vroeg ik. ‘De Franstalige Belg?’ vroeg ze. Ik schudde met mijn hoofd. ‘Nee, de tweetalige Belg,’ fluisterde ik. De redactrice schoof de zonnebril terug op haar neus. ‘Jij weet toch alles over Prins Maurits?’ vroeg ze snel. Ik knikte. Daar wilde ze alles, maar dan ook alles over horen. De roze man die nu hoopvol onze kant op keek, leek teleurgesteld en liep met hangende schouders naar het kaasbuffet. Daar gebeurde tenminste nog wat. 

 

 

Categorieën: Uncategorized

Loting op het Barlaeus gymnasium

april 15, 2008 · 1 Reactie

    

‘Welkom op Zweinstein,’ sprak de juffrouw van de school. ‘Het is vandaag een zware dag.’ Het was de dag dat het Barlaeus in Amsterdam twintig kinderen zou gaan uitloten en omdat wij, ouders, natuurlijk niet geloven dat zoiets eerlijk gebeurt, was er een zongebruinde notaris met zijn assistente in de aula van het gymnasium gezet. Naast hen zaten een ernstig kijkende vrouw en de rector. Op de tribunes zaten veel ouders met strakke gezichten. Een fotograaf van het Parool was speciaal langsgekomen om de zenuwachtige ouders te fotograferen, maar daar werd en masse bezwaar tegen gemaakt. Naast me zat een vrouw die uit naam van de gymnasiumvooriedereen-ouders gesprekken gevoerd had met de gemeente en met de rectoren van de vier gymnasia en nu zat ze hier, zenuwachtig voor de GL, de Grote Loting. ‘Wat zijn er veel vaders,’ merkte ze op. Waar waren die vaders vroeger? Die zag je – een uitzondering daargelaten – zelden tijdens Artis-uitjes en knutselmiddagen. Maar vanochtend waren ze in grote getale naar Zweinstein gekomen, waarschijnlijk omdat ze zenuwen van staal hadden.
Terwijl de notaris, ook met stalen zenuwen, een voor een blauwe plastic fiches uit een hoge hoed toverde, kruiste de rector de corresponderende nummers aan op een lijst met namen. De zenuwachtige ouders kwamen een beetje tot rust en er werd zelfs gelachen. Maar het lachen verging iedereen snel toen de namen werden voorgelezen. Er klonken kleine juichkreetjes in de aula, sommige moeders barstten spontaan in snikken uit, of hun kind nu wel of niet was toegelaten. De voornamen werden in alfabetische volgorde opgelezen en ik vond het jammer dat ik mijn dochter geen Aagje had genoemd, maar prees mezelf gelukkig dat ze ook geen Zarah heette.
Ondertussen begonnen ouders druk te sms’en. Aan de andere kant naast mij zat een man met zijn Blackberry klaar in de hand. ‘Mijn vrouw is in Londen,’ zei hij. ‘Die staat nu boven op de Big Ben.’
Na de laatste naam, stormden honderd gelukkige ouders naar buiten, de man met de vrouw boven op de Big Ben en twintig andere ouders snikkend achterlatend. De school was er prima in geslaagd om er een Grieks drama van te maken, maar eerlijk gezegd begrijp ik niet dat we hier allemaal bij aanwezig moesten zijn. Het was niet pulcher om het maar in het Latijn te zeggen.

Categorieën: Uncategorized
getagged: , , ,

Cursus interviewen: deel 1

april 12, 2008 · Laat een reactie achter

Welkom bij de cursus interviewen. Interviewen is heel eenvoudig. Iedereen die niet doof is, kan het leren. Zelfs als u doof bent, kunt u interviewen. Dan is het alleen zaak om te raden wat de geïnterviewde te zeggen heeft, maar om in de leer van de grote Ischa te blijven: het gaat er niet om wat de geïnterviewde zegt, het gaat erom wat u opschrijft.
Maar goed, ervan uitgaande dat u niet doof bent, volgt hier tip 1: lach de geïnterviewde nooit uit. Ik zal dat verder uitleggen aan de hand van een dramatisch interview dat ik afgelopen week hield. Ik moest iemand interviewen over zijn hobby ijzersmelten. Ik vond het een gekke hobby, maar dat hield ik natuurlijk voor me. Ik ken mensen die voor hun plezier vliegtuigen spotten of vogels kijken, die lach ik ook niet uit. De ijzerman vertelde dat zijn hobby begon toen hij op een dag naar het Archeon ging. Inmiddels was hij vrijwilliger in het prehistorische park. ‘Loopt u dan ook in zo’n gek pak rond?’ vroeg ik, en ik kon mijn lachen bijna niet houden. ‘Nee,’ antwoordde hij. ‘Gelukkig maar,’ lachte ik opgelucht. ‘Ik ben al heel vaak in het Archeon geweest en ik zie daar altijd van die malloten in van die juten zakken lopen. Dat ziet er echt niet uit, hahahaha.’ Het bleef onaangenaam stil aan de andere kant van de lijn. ‘Ik heb wel zo’n pak aan,’ zei ijzerman. ‘Huh?’ zei ik. ‘En net zei u nog…’
‘Ik bedoel,’ zei ijzerman, ‘dat ik wel in zo’n pak loop, maar dat het geen gek pak is. Het is namelijk een heerlijk comfortabel pak van brandnetel vlas, met een tuniek van zuivere scheerwol erover.’
‘Juist,’ zei ik, en ging snel over naar vraag twee: ‘hoe doet u dat nou, ijzer smeden?’ Zijn antwoord was kort, maar duidelijk: ‘Als het heet is.’
‘Dank u wel voor dit interview.’
‘Graag gedaan.’

Categorieën: Uncategorized

De slimste vrouw van de Cayman Islands

april 8, 2008 · 1 Reactie

Toen ik mij op een dag inschreef bij Facebook, moest ik aangeven waar ik woonde. Uit een lijst met alle landen op de wereld koos ik de Cayman Islands. Dat vond ik op dat moment heel erg grappig, al weet ik niet meer waarom. Ik weet niet eens waar de Cayman Islands liggen en ik heb zelfs niet de moeite gedaan om het uit te zoeken. Ik werd uitgenodigd door onbekende Caymannen en werd zelfs per ongeluk lid van een videotheek en een café op de eilanden. Op een dag kreeg ik ook een grappig hersentrainspelletje opgestuurd: ‘Who has the biggest brain’. Het spel is inmiddels het meest populaire spel op Facebook. Razendsnel sommetjes en puzzels maken blijkt enorm verslavend te zijn en mijn kinderen beginnen al te klagen dat ik nooit meer aanspreekbaar ben omdat ik als een gek zit te rekenen. Maar niet zonder resultaat, want vandaag kwam ik erachter dat ik de een-na-hoogste score heb van de Caymannen. Ik ben de slimste vrouw van de Cayman Islands. En waarschijnlijk ook de enige vrouw op de Cayman Islands die niet weet waar de Cayman Islands liggen…

Categorieën: Uncategorized

Kut en zwoegen

april 5, 2008 · Laat een reactie achter

Het Parool heeft sinds zijn nieuwe jasje een pagina die ‘Nut en genoegen’ heet. Ik kan niet anders dan daar ‘Kut en zwoegen’ in zien. Dat ligt niet aan de keurige puzzelpagina van de krant, maar aan de gelijknamige volkstuin in Amsterdam West. Tien jaar geleden kochten de man die mij langer kent en ik er een huisje met een tuin. Voor vijftienduizend gulden waren wij – bewoners van een bovenhuis – opeens de trotse eigenaren van een huis met een tuin. De vorige eigenaar had het houten huis zelf gebouwd, met keuken, badkamer en twee slaapkamers. Er was een gazon, een appelboom met moestuin, een magnolia en een Japanse kers. Dolblij was ik met mijn lap groen. Vrienden en familie kwamen elk weekend kijken omdat niemand wilde geloven dat er een tuinier in mij school. Ik, die zelfs een cactus kon laten uitdrogen, deed iets met planten. Ze lachten zich een kriek. Ik kocht dertig boeken over tuinieren, las ze allemaal en reed toen in mijn moeders auto naar het tuincentrum. Ik kocht voor veel te veel geld planten, waaronder een kist  schattige kleine plantjes die ‘zonneroosje’ heetten. Het zonneroosje hield van zon (hence the name…) en wilde maar niet aanslaan in mijn tuin met overal schaduw. Daarom leende ik opnieuw mijn moeders auto en kocht alle schaduwplanten die ik kon vinden. Alleen de snoeilelijke hosta’s – waarvan alle tuinboeken zeiden dat het de ideale plant was voor de lommerrijke tuin – kwamen er bij mij niet in. Op zomeravonden fietste ik na het werk nog even naar mijn tuin en snoeide en scharrelde in mijn tuin. Nooit was ik gelukkiger dan toen. Ik was van buiten een stadsmeisje, maar van binnen bleek ik gewoon Romke van der Kaa te zijn. Na een maand kwam er een brief van het tuinencomplex, dat ik het onkruid moest wieden op het grindpad voor mijn tuin. Ik vond dat kleine groen tussen de stenen juist wel leuk, maar de mannen van Nut en Genoegen dreigden mij met een fikse boete als ik niet onmiddellijk in de weer ging met een schoffel. In het geheim kocht ik een blik onkruidverdelger en goot dat leeg op het grindpad. Romke van der Kaa, de tuinman der tuinmannen, had dat vast ook gedaan. Een week later was de heg die het grindpad van mijn tuin scheidde weg. Niet echt weg-weg, maar heel erg dood. Maar het onkruid was ook weg en ik kon me weer toeleggen op het echte werk: het plukken van appels van mijn eigen boom en het zaaien van courgette. Weer een maand later kwam er een brief van Nut en Genoegen dat ik mijn tuinafval niet achter het huis mocht gooien, maar op zondag tussen drie en kwart voor vier in het tuinafvaldepot moest afgeven. En als ik dat niet deed, dan kreeg ik een boete. Ik kreeg ook boetes als ik mijn heg niet snoeide, de stenen van mijn plaatsje niet schrobde, het onkruid niet weghaalde, het mos niet van de gevel van mijn huisje haalde en meer. Het plezier in tuinieren werd al iets minder en de boetes steeds hoger en talrijker. Maar net toen ik klaar was met wieden en knippen en snoeien en afvoeren, werd ik opgeroepen voor werk ten behoeve van algemeen nut. Zes zaterdagochtenden moest ik om half negen twee uur lang naar het volkstuinencomplex (OP DE TUIN, zoals wij van Nut en Genoegen dat noemden) om onkruid te wieden op de paden. Samen met mijn vriend Guus, die inmiddels ook zo’n leuke tuin OP DE TUIN had, werkte ik zes zaterdagen op een onchristelijk uur. De eerste zaterdag gingen we nog fluitend aan het werk, de tweede zaterdag brommend en de derde zaterdag doopte Guus Nut en Genoegen om in ‘Kut en Zwoegen’. En toen die naam eenmaal geboren was, was het ook niet meer leuk om er heen te gaan.

Op een ijskoude dag in januari moesten de man die die mij langer kent en ik verschijnen voor een soort tribunaal van tuinders. Stokoude mannen in stevige geruite overhemden en met rode wangen. In een zaaltje met nephouten lambrizering en tl-balken, kregen wij te horen dat het beter was als we ons huisje zouden verkopen. Er was zelfs al een koper gevonden. Een hele enge vrouw bood ons een envelop met vijftienduizend gulden. We hoefden alleen maar onze handtekeningen op dertig formulieren te zetten en we waren vrij van ‘Kut en zwoegen’. Ik gaf de hele enge vrouw een hand en wenste haar veel geluk met de tuin waar ik ondanks alles toch zo vreselijk veel van had gehouden. Ze keek me vals aan en vertelde dat het eerste wat ze zou doen het kappen van de Magnolia, de Japanse kers en de appelboom was. De kapvergunning had ze al aangevraagd. Het was genoeg. 

 

Categorieën: Uncategorized

Hoe ik geen columnist werd voor het Parool

april 3, 2008 · 6 Reacties

manon3april2008.jpg

Op een ijskoude dag in december, maar het kan ook januari zijn geweest, kreeg ik een mailtje van de vrouw van de krant. Ze had mijn blog gelezen en vroeg of ik interesse had in een column voor het Parool. Ik keek haar met een zuur gezicht aan. Een column, ik? Getver, ik moest er niet aan denken. Ik hield niet eens van schrijven. Ik had niet eens een typmachine, laat staan een computer. En waar moest ik dan over schrijven? De vrouw van de krant wist het ook niet. ‘Zullen we maar een biertje drinken?’ vroeg ik, om het gesprek maar zo snel mogelijk op een ander onderwerp te brengen. Een column in de krant, brrr, ik rilde bij het idee……
‘Ja, leuk,’ zei ik. Ik vond het idee zelfs zo leuk, dat ik het tegen niemand durfde te zeggen. ‘Je kunt alles voor elkaar krijgen als je het maar heel graag wilt,’ zei mijn overgrootvader, journalischt bij de Haagsche Poscht. En hoewel ik er wat flauwe grapjes over maak, wil ik eigenlijk heel graag een column. En als het dan niet in het Parool is (nooit meer iets gehoord namelijk…), dan misschien in Chemie Magazine, Transporama (Truck en busmagazine) of desnoods in Watersport & Wakeboard Magazine. Wie mij hebben wil, mag. Ik kan met tien vingers typen, ik lever altijd op tijd in en ik ben heel makkelijk in de omgang.
Bel: 020-626 13 31

Categorieën: Uncategorized
getagged: , ,