Maandelijks archief: mei 2008

Blogsell

In de zomer van 1988 zaten mijn vriendin Josien en ik in het faculteitsgebouw van Klassieke talen in Amsterdam. Een rustigere plek om te studeren was er niet. Studenten die Latijn en Grieks leren zijn doorgaans razend stil. De enige afleiding kwam van een man die tegenover ons zat en die het Griekse woordenboek overschreef op velletjes wc-papier die hij vervolgens zorgvuldig in een schoenendoos van de Bata opborg. Elke dag zat hij daar en schreef velletje na velletje vol. Hij was natuurlijk gek, maar hij was ook woest aantrekkelijk, wat de afleiding alleen maar groter maakte. Ik zou hem zeker vergeten zijn als er niet op een dag dat ik weer tegenover hem zat een vrachtwagen met open laadbak langs ons raam reed. ‘Kijk,’ zei mijn vriendin, ‘dat lijken wel voetballers.’ Het leken niet alleen voetballers, het waren ook voetballers. Het Nederlands elftal was zojuist Europees kampioen geworden. Grappige mannen in identieke zwarte pakken sprongen op en neer in de laadbak. Gillende meisjes probeerden op de vrachtwagen te klimmen. Langs de kant van de weg stonden mensen met oranje vlaggen en toeters. Nergens had je er beter zich op dan vanuit het gebouw van de Klassieke talen, maar vreemd genoeg was geen van de supporters op het idee gekomen om daar achter de ramen te gaan staan. De Grieken en Romeinen in wording hingen onverstoord boven hun studieboeken en zelfs de man van het wc-papier keek niet op. En toch waren we met z’n allen kampioen, zo bleek.

Twintig jaar later kwam ik een oude bekende tegen. De oude bekende schreef over sport. Zijn liefde voor voetbal en mijn totale desinteresse daarvoor maakte onze communicatie soms ongemakkelijk. De oude bekende had een boek geschreven over de wedstrijd van ’88. Ik moest het lezen, vond hij. Ik kon het hem niet beloven. Wel kon ik hem beloven dat ik reclame zou maken voor zijn boek op mijn blog. Daarom: lees Halve Finale EK ’88 van Arthur van den Boogaard. Met name als u van voetbal houdt. 

Seppe die Simeon heet

Ik had mezelf beloofd het nooit te doen: foto’s plaatsen uit het familie-album. Voor je het weet staan er alleen nog maar vakantiedia’s op mijn blog. Maar voor een iemand maak ik graag een uitzondering. Sinds drie weken heb ik namelijk een neef. Hij heet Simeon, maar ik mag Seppe zeggen. Later als hij groot is draag ik al mijn boeken aan hem op. Later als hij groot is neem ik hem mee naar het Amsterdamse bos en leer hem vliegeren (of hij mij, want ik kan nog niet vliegeren). Na het vliegeren (wat we dan allebei heel goed kunnen) gaan we pannenkoeken eten op een terras aan het water. Daarna sluit ik hem op in zijn kamer en steel zijn snoep. Waarna hij uit wraak mijn dagboeken stiekem leest en op mijn bureau gaat zitten net op het moment dat ik wil werken. Ik verstop zijn verzameling cocacolablikjes en bind zijn handen achter zijn rug vast en gooi een bal driehonderd keer in zijn gezicht. Maar ik maak ook babyboeken voor hem, ook als hij al dertien is en rook mijn eerste joint met hem. Ik sla zijn hersenen in en hij de mijne. Ik draai heel hard alle platen van Astrud Gilberto, net zo lang tot hij er gek van wordt en hij zal mij elke dag vragen wanneer ik eindelijk op kamers ga. Niemand zal ons gedrag begrijpen, behalve zijn vader en ik. Wij deden vroeger namelijk niet anders.

Toen iedereen nog leefde

Ga nooit terug naar de straten van uw jeugd. U herkent het nog wel, maar wat u zocht is weg en komt ook nooit meer terug. Vanochtend wandelde ik voor het eerst in twintig jaar door het televisiedorp waar ik opgroeide. Natuurlijk was ik vroeger blind voor de schoonheid van het dorp. Voor de lanen met hoge bomen en witte villa’s met serres en oprijlanen van grind. Ik wandelde langs het huis waar ik woonde toen iedereen nog leefde. Het huis was groter dan in mijn herinnering, de straat groener. Als ik nog twintig jaar wacht, zal ik de moed kunnen verzamelen en aanbellen. Dan vertel ik de nieuwe bewoners dat ik hier gewoond heb en gelukkig ben geweest. Dan loop ik de trap op naar de zolder en verbaas me over hoe alles veranderd is na veertig jaar van verbouwingen. Ik zal de nieuwe bewoners anekdotes vertellen uit de jaren zeventig, waar ze dan plichtmatig naar zullen luisteren, precies zoals ik luister naar de mensen die bij mijn huis nu af en toe komen aanbellen en rondkijken. Ik zal vragen of ik ook nog even naar de achtertuin mag om te kijken of de boom er nog staat die mijn vader voor mijn moeder plantte. Een populier, waarbij mijn vader de takken met ijzeren kabels in de grond had vastgezet omdat hij liever een treurwilg had dan een populier. Omdat hij zo optimistisch was dat hij dacht dat hij met de kracht van zijn handen zelfs een populier kon laten buigen. Dacht dat hij sterker was dan de natuur. Natuurlijk zal de boom vanwege zijn mismaakte takken tegen die tijd al lang zijn omgezaagd. En natuurlijk zal ik dan huilen omdat ik een oude sentimentele dwaas zal zijn.

Maar vanochtend was het nog te vroeg om aan te bellen. En dus wandelde ik fluitend door de lanen van Hilversum naar het station. In de boekhandel Wout Vuyk zag ik mijn boek in de etalage liggen. Ik drukte mijn neus tegen de etalageruit en fluisterde het boek toe dat het goed op mijn dorp moest passen. Ik woon er dan wel niet meer, maar ik ben er nooit helemaal weg. En zie, blijk ik ook nu al een sentimentele dwaas te zijn.

Radio en tv

De huisarts die nu stukadoor is en ik mochten op radio 5 wat kletsen. Alles doe ik om de verkoopcijfers van het boek omhoog te stuwen en de huisarts was zo vriendelijk om mee te gaan. En ach radio, wie luistert daar nou naar? Maar als ik had geweten dat het radioprogramma Desmet Live eigenlijk een televisieprogramma is, had ik natuurlijk vriendelijk in de camera gelachen. Dan had ik misschien zelfs naar u gezwaaid. 

 

Wij zijn zes vrienden

Wij zijn zes vrienden. Een keer per jaar nemen wij de trein naar een willekeurige plek in Nederland. In de trein lezen wij elkaar voor uit de natuurdagboeken van Nescio. Wij eten boterhammen uit bruin papieren zakjes en schenken koffie uit zilverkleurige thermosflesjes. Wij lachen veel, want wij zijn zes vrienden. Vanaf het station op de willekeurige plek wandelen wij in zuidelijke richting, net zo lang tot we bij een rivier komen. Daar kleden wij ons uit en springen in de rivier. Wie het laatst aan de overkant is moet de rest van de tocht de natuurdagboeken in zijn rugzak dragen.

Gisteren wandelden wij door de Achterhoek, langs een veld vol ooievaars, die wij nooit eerder in zulke aantallen bij elkaar hadden gezien. Vogels kijken is altijd leuk, vooral als je er weinig verstand van hebt. Wie niks van vogels weet is al blij met een dode mus. Zo hoorden wij leeuweriken, die misschien wel lijsters waren en zagen wij een gewone kwikstaart per abuis aan voor een bonte. Maar vogels zijn vogels voor wie niet beter weet en de Achterhoek was mooi zoals ie was.

Tegen het vallen van de avond – zoals dat heet in de Achterhoek – ontdekten we een vervallen landhuis in de bossen van Hummelo. Zes deuren had het huis, voor elke vriend een. Wij fantaseerden hoe het zou zijn als we hier toch konden blijven. Zo met z’n zessen, zonder leven in de stad. We zouden waarschijnlijk veel wijn drinken, maar ook veel in de buitenlucht zijn, dus dat beperkte de schade van de drank. We zouden geen wifi hebben, maar wel tiepmachines. Ikzelf bood aan om elke dag naar het dorp te lopen om onze schrijfsels op de bus te doen. We zouden op zomeravonden op de veranda zitten en sigaren roken (dikke en dunne) en we zouden best gelukkig zijn. En uiteindelijk zouden ook wij het verschil zien tussen een leeuwerik en een lijster. Het is fijn om zes vrienden te zijn.

Ik mis alleen de Hema

In juni ligt ie in de winkel: de 12e druk van Ik mis alleen de Hema!!! Om het te vieren heb ik mezelf direct getrakteerd op een volkomen nutteloos en veel te duur cadeau: een vel met witte opstrijkstickers. In de winkel van Droog design liggen ze al een tijdje op mij te wachten. Maar toen ik de stickers eenmaal had, diende zich een nieuw probleem aan. Ik heb helemaal geen kledingstukken waar de opstrijkstickers leuk op staan, dus heb ik er een jurk bij gekocht waar ze volgens mij heel goed bij passen. Eenmaal thuisgekomen blijkt de jurk van een nogal ontvlambaar materiaal te zijn waar het strijkijzer direct gaten in maakt, maar daar kwam ik pas achter nadat ik al mijn stickers op de jurk had geschroeid. Nieuwe stickers, nieuwe jurk, geld op. Maar ik ben zo gelukkig met de twaalfde druk dat niemand mij hoort klagen. En ziet u mij straks lopen in mijn jurk met opstrijkstickers, fluit dan even, ook als u bouwvakker bent.

Leve de liefde

‘De liefde,’ schreef Teodoor Fontane, ‘leeft van beminnelijke kleinigheden.’ Dat ontdekte ook de Amerikaanse psycholoog Gottman toen hij jaren geleden in zijn ‘love lab’ gelukkige en ongelukkige stellen observeerde. Gottman ging ervan uit dat gelukkige stellen elkaar voortdurend liefdevol in de ogen zouden kijken en de ongelukkige stellen elkaar als Tom en Jerry naar het leven stonden. In werkelijkheid vond Gottman geen enkel verschil. Pas na weken video-banden bekijken, ontdekte hij dat de liefde in een klein gebaar zit, precies zoals de Duitse dichter het al omschreef. Voor Psychologie Magazine schreef ik er een boekje vol over. ‘Leve de liefde’ zit deze maand als bijlage bij Psychologie. Tot zover de mededeling van algemeen belang.

Zij was blond maar verder volmaakt


Mijn vriend de dichter schreef: ‘zij was blond maar verder volmaakt’. Dat was voor hij de blonde dichteres ontmoette. Anderhalf jaar geleden nam hij de blonde dichteres mee naar mijn verjaardagsfeest. ‘Wat een leuke vrouw,’ sprak ik. ‘Ja,’ antwoordde de dichter, ‘jammer dat ze blond is.’ De blonde dichteres keek hem woedend aan. ‘Wat passen jullie goed bij elkaar,’ zei ik. Al tien jaar probeerde ik mensen te koppelen en al tien jaar was dat mislukt. Vaak gaf ik zo hoog op over de een (‘Hij is zooooooo leuk!!!!’) dat het alleen maar tegen kon vallen. Ik was veertig geworden en had de hoop op succes al opgegeven. Ik was een yentl van niks. Maar drank maakt balorig en daarom vertelde ik mijn dichtende vriend en de blonde dichteres dat ik ze geweldig bij elkaar vond passen. ‘Jullie moeten trouwen,’ zei ik. ‘En dan wil ik getuige zijn.’ Het was een zin die ik als mislukte koppelaarster al vele malen had gesproken en altijd zonder succes. Soms werd ik door het potentiële paar subtiel gewezen op het feit dat ze al getrouwd waren, allebei met een ander. Soms werd ik ook gewoon tegen de grond gemept omdat ik was vergeten dat het gelukkige stel-to-be al jaren gescheiden was. ‘God, wat zijn jullie leuk samen,’ sprak ik, met glas in de hand. ‘Jullie lijken zelfs een beetje op elkaar.’ De dichters begonnen een beetje ongemakkelijk van been op been te hupsen. Nu ik ze een bruiloft in het verschiet had gesteld, werd elk luchtig gesprek onmogelijk. ‘Laten we hier weggaan,’ sprak de dichteres. Ze pakte mijn dichtende vriend bij de hand en trok hem het cafe uit. ‘Jullie moeten echt trouwen hoor,’ riep ik ze nog na bij de voordeur.
Gisteren trouwden mijn dichters. Als trotste koppelaarster zat ik op de eerste rij in de kerk en wenste hen nog honderd jaar geluk.

 

De huisarts die liever stukadoor was V

Het was de laatste mooie dag van mei toen Marion en ik ons boek presenteerden in de tuin van uitgeverij Bert Bakker. Sindsdien zie ik het boek overal waar ik ga. In twee weken zijn er al meer boeken van verkocht dan van ons vorige boek (Domweg gelukkig op het platteland). De uitgever vroeg nog voor de presentatie was begonnen wanneer we met ons volgende boek zouden komen. ‘Slavendrijver,’ zei ik. De uitgever glimlachte. Er waren wel ergeren woorden naar zijn hoofd geslingerd.

De huisarts die liever stukadoor was IV

Op woensdag 14 mei ligt ie in de winkel: het nieuwste boek dat Marion Witter en ik schreven. Vrijdag was Marion samen met een van de geïnterviewden te gast bij BNN. Afgelopen zaterdag waren we op een snikhete middag in de uitzending bij Spijkers met Koppen, op woensdagochtend mag ik bij BNR nog iets vertellen over het boek en op donderdagmiddag is Marion te horen bij radio 1. Donderdag staan we ook nog in het Financieel Dagblad en als ik mijn collega’s bij Psychologie Magazine heel lief aankijk, krijgen we ook daar nog een vergeten hoekje aandacht. Het gevolg is natuurlijk dat al onze media-optredens de verkoopcijfers tot recordhoogte gaan brengen. En het voordeel daarvan is dat we dan aan het eind van het jaar een fles champagne van de uitgeverij krijgen. En met die jaloersmakende verkoopcijfers in het vooruitzicht krijgen we ook een heuse boekpresentatie. Iets met drank en hapjes en een toespraak van onze uitgever, vogelenpietje zoals wij hem liefkozend noemen. Net als vorig jaar zal de boekpresentatie ontaarden in een wild feest met loslopende honden en geiten, met collega-schrijvers die ver van de wereld in de hortensia’s liggen, redacteuren die in polonaise door het pand aan de Herengracht trekken en gasten die net zo lang blijven tot de eerste bureauredacteuren weer op het werk verschijnen. Hoe wilder de boekpresentatie hoe beter de verkoopcijfers, zo weten wij. En valt de verkoop uiteindelijk toch een beetje tegen, dan liegen wij over het aantal verkochte exemplaren. Zelfs Thomas Ross schijnt dat te doen. En wat hij doet, doen wij ook. Er zijn op voorhand al tienduizend exemplaren verkocht van ons boek. Als u het laatste exemplaar van de eerste druk nog wilt bemachtigen, dan moet u snel zijn. Het is uitverkocht voor u het weet.