Over het IJ in Amsterdam vaart een pont. Er varen een paar ponten, maar die andere ponten zijn niet de echte pont. Dat zijn nep-ponten die er pas later bij zijn gekomen. De echte pont vaart gewoon recht naar de overkant. Naar daar waar vroeger niks was en waar nu hip Noord begint. In mijn herinnering voer ik vroeger altijd met mijn vader met de pont naar de overkant en weer terug, na een bezoek aan Amsterdam en vlak voor we in de trein naar Hilversum stapten. Maar ik vermoed dat we dat maar één keer hebben gedaan en misschien zelfs nooit. Maar dat maakt niet uit, ik fantaseer mijn vader er gewoon bij. Er is ook een verhaal over de pont van Remco Campert, maar het kan ook van Simon Carmiggelt zijn of van iemand van wie ik de naam ben vergeten. Een verhaal over de schipper van de pont die op een dag naar volle zee vaart en ‘Jeruzalem’ roept. Ik moet altijd aan dat verhaal denken als ik op de pont sta. Zoals ik ook altijd denk aan een reportage in Vrij Nederland of het Parool over de mensen die ‘s ochtends vroeg de eerste pont nemen naar hun werk. Een mooie fotoreportage met regen die tegen de ruiten van de pont slaat en mannen in slechtzittende pakken.
Het geheugen is als een zeef. In mijn hoofd zitten heel veel losse gedachten, die allemaal naar boven komen als ik de pont neem. Terwijl ik naar de meeuwen kijk, worden al die losse flarden van bestaande en niet-bestaande herinneringen een filmpje in mijn hoofd. Ook als ik niet de pont neem trouwens. Vandaag ga ik uit varen met de redactie van Psychologie Magazine. Als ik dan later op de avond op de voorplecht sta en heel hard ‘Jeruzalem’ roep, dan is dat niet omdat ik te veel heb gedronken, maar vanwege dit. Ik waarschuw maar alvast.






