Maandelijks archief: december 2008

Hindoestaanse porno III

img_0055

Dertigduizend mensen lazen het afgelopen jaar mijn blog. Ik houd mezelf voor de gek door te denken dat dat alles te maken heeft met de gezellige stukjes die ik schrijf. In werkelijkheid zijn de twee best gelezen posts van het afgelopen jaar ‘Hindoestaanse Porno I’ en ‘Hinsoestaanse Porno II’. Ik vind dat niet erg. Ik zeg tegen al mijn Hindoestaanse vrienden: het was goed dat u er was.

Mijn leven in zes woorden

foto-896

Ernest Hemmingway werd ooit gevraagd of hij een verhaal kon schrijven in zes woorden. Dat kon hij. Het werd: ‘For sale: baby shoes, never worn.’

Het verhaal heeft in Amerika een halve eeuw later een rage ontketend van mensen die hun leven in zes woorden samenvatten. Er zijn kalenders van en boeken en websites. Duizenden levens steeds in zes woorden samengevat.

Vandaag probeerde ik mijn eigen leven samen te vatten. Ik kwam niet verder dan jofel. En eigenlijk is jofel goed genoeg. Het woord beleefde zijn finest hour in de jaren zestig en is daarna samen met mieters en blits in de vergetelheid geraakt. Dat is jammer, want jofel is een ontzettend jofel woord. Zeker als je je eigen leven ermee probeert samen te vatten.

42.000 woorden

manondec2007

Waar ik was de afgelopen vier jaar, vroeg je. Je had me nog wel eens zien fietsen over de gracht, maar ik hoorde je niet als je naar me riep. In het café had je me niet meer gezien en toen je navraag deed bij de vrienden die we samen deelden, wist niemand meer mijn naam. En vandaag kwam ik je zomaar tegen. Je liep over de markt met een tas met sinaasappelen. Je had een zeer besmettelijke griep. Je kon me dan ook niet zoenen. Waarom je me zo weinig zag vroeg je voor de tweede keer. Ik deed alsof ik je niet verstond. Je had mijn boek gelezen zei je. Ik deed weer alsof ik je niet verstond. We hadden allebei ons eigen leven en niets herinnerde nog aan de tijd dat we onafscheidelijk waren. Ik vertelde je dat ik de afgelopen maanden mijn nieuwe kinderboek had geschreven. 42.000 woorden. Je knikte. Dat is dus de reden dat ik je nooit meer zie, zei je. Ik knikte nu ook. Wie boeken schrijft, raakt vrienden kwijt, zei ik in tegeltjeswijsheidtaal. Laten we volgend jaar een keer afspreken zei je. Je zoende me niet, want je had een besmettelijke griep. Ik zwaaide naar je vanaf de fiets. Wie geen boeken schrijft raakt ook vrienden kwijt.

Pleinliefde

rembrandtplein5

Het Thorbeckeplein in Amsterdam is een beetje een gek plein. Daar kan het plein zelf niks aan doen, het is gewoon zo. Het Rembrandtplein dat er naast ligt is ook een gek plein, maar er rijden trams, dat is beter.

Ik heb wat in de psychologie het omgekeerde van pleinvrees zou kunnen heten. Pleinliefde is wat ik heb. Misschien komt het doordat ik als kind het boek ‘Marjoleintje van het pleintje’ las wat ik toen een mooi boek vond – bovendien heet ik eigenlijk Marjolein (dat weten niet veel mensen, maar nu dus wel) waardoor het plein als een epitheton ornans aan mij bleef kleven.

Op het Thorbeckeplein stond ik vanavond stil. Drie meter verderop stond een jongen met een roos. Ik speelde in mijn hoofd Marjoleintje van het pleintje, maar de jongen met de roos stond daar maar met die domme roos die voor niemand was, dat zag ik ook wel. Na een paar minuten overwon hij zijn pleinvrees en liep naar me toe. Hij bood me de roos aan als cadeau zei hij. Ik bedankte en wilde dat hij weer weg ging, maar in plaats daarvan begon hij stotterend te vertellen dat hij namens een stichting waarvan ik de naam weer ben vergeten overal in de stad rozen uitdeelde. ‘Aan daklozen,’ zei hij toen. Daklozen… dacht hij nou echt dat ik een dakloze was? Kwam het soms door dat boodschappenkarretje met kranten dat ik bij me had? ‘En aan tramconducteurs,’ mompelde hij er achter aan. Ik trok mijn wenkbrauwen heel hoog op – dat kan ik goed – en keek hem aan. ‘En aan zomaar iedereen,’ zei hij, maar ik zag dat hij loog. Hij had in mij misschien een zielige vrouw herkend die op kerstavond helemaal in haar uppie op een beetje een sneu plein stond. ‘Dank je wel,’ zei ik snel, want in de verte zag ik mijn zeven vrienden al aankomen. ‘Ga je mee?’ riepen de zeven vrienden, op weg naar een café. Ik deed alsof ik ze niet kende en speelde nog even mijn rol van eenzame vrouw op kerstavond die een roos krijgt van een jongen die ook even niets beters te doen heeft.

Het mooiste boek dat ik dit jaar heb gelezen

napoleon

‘Dit is het mooiste boek dat ik dit jaar heb gelezen,’ zei de redacteur van Vrij Nederland, die het kon weten. ‘Het is fenomenaal, je zult er geen spijt van krijgen, je moet het kopen.’

We stonden naast elkaar in het boekenkeldertje waar alle redacteuren aan het eind van het jaar hun sinterklaascadeaus kopen. Ik geloofde de redacteur blind. Zijn naam was Botje.

Thuis las ik de achterflap van het boek. Een boek over de veldslagen van Napoleon. Zevenhonderd pagina’s dik. Ik bladerde door het boek en vroeg me af wie ik hier blij mee kon maken. Niet mijzelf, want ik haat veldslagen. 

Ik stelde me voor hoe de redacteur nu grinnikend achter zijn bureau zat. Voor hem een stapel fijne literatuur waar hij zijn vrienden en familie echt blij mee zou maken. En ik, lijdend voorwerp van zijn grap, met een boek over het Franse keizertje en kanonnen.

Extra jammer was dat er weinig op Napoleon rijmde. Het werd: ‘Sint zat heel lang te denken wat hij jou zou schenken plotseling kreeg hij een idee en nam dit zevenhonderd pagina’s dikke boek over de veldslagen van Napoleon voor je mee.’ De man van mijn moeder was er heel blij mee, zei hij.

Op de trap kom ik nu soms de redacteur tegen. Ik geloof niet dat hij mij nog herkent als de vrouw die hij heeft opgezadeld met het mooiste boek dat hij dit jaar niet heeft gelezen.

Waarom ik nooit post ontvang

brief

Ik krijg nooit meer leuke post. Geen liefdesbrieven, geen prettige-kerst-kaartjes en geen enveloppen met daarop de tekst: HOERA MEVROUW M.A.N.O.N. SIKKEL U HEBT 1.000.000 EURO GEWONNEN. Vandaag besloot ik de mevrouw van de Post te bellen om te klagen over het feit dat ik nooit meer post krijg. ‘Misschien heeft u geen vrienden,’ zei ze voorzichtig. Ik ontkende. Ik heb namelijk wel vrienden, drie zelfs. Een die me liefdesbrieven schreef, een die me kerstkaarten schreef en een die me altijd met Hoera Mevrouw M.A.N.O.N Sikkel aansprak. Hoe het kon dat ik nooit meer iets van ze hoorde wilde ik nu wel eens weten van de mevrouw van de Post. Ik hoorde haar ritselen met wat blaadjes. Ergens moest ze nog een script hebben liggen voor mensen zoals ik. Ha, daar had ze het al. Ze vond het ‘diep triest,’ zei ze eerlijk. Ik moest daar even over nadenken. Het was wel jammer dat ik nooit meer post ontving, maar diep triest? De mevrouw van de post las de volgende regel op van haar telefoon-script. Ik kon me aanmelden bij een site die speciaal bedoeld was voor mensen die dood waren. ‘Maar ik ben niet dood,’ sprak ik. De mevrouw bedoelde dat de website was voor mensen die iemand kenden die dood was en die geen post meer wilden ontvangen. Maar ik wilde juist wel post ontvangen. Ik wilde kerstkaarten en liefdesbrieven en… Maar de mevrouw van de Post kon verder niets voor me doen zei ze, behalve twee keer sorry zeggen. Sorry dat ik geen post meer ontving en sorry dat ik dood was. Eindelijk begrijp ik waarom ik nooit meer post ontvang.

Pijn

beau

We stonden op de brug, mijn uitgeefster en ik. Naast ons stond Beau van Erven Dorens in zijn zwembroek. ‘Kijk,’ zei mijn uitgeefster, ‘als jij nou ook een keer zoiets zou doen bij de presentatie van je boek…’ Beau klom op de railing van de brug. ‘Ik kan je natuurlijk nergens toe dwingen,’ ging mijn uitgeefster verder, ‘maar het zou wel heel goed zijn voor je verkoopcijfers.’ Beau dook in de Amstel. ‘Niet dat we te klagen hebben over de verkoop hoor, begrijp me niet verkeerd,’ ging de uitgeefster verder. Ik keek naar beneden. Beau was weg. ‘Je mag ook bungee jumpen. Van het Okura Hotel, met een elastiek om je middel.’ Mijn uitgeefster keek op haar iphone. ‘Je boek komt in april uit….,’ zei ze, bladerend door haar i-agenda. Beau was boven gekomen en zwom in vlinderslag naar de kant. ‘Als we nou half april aankondigen dat je van een gebouw gaat springen….’ Beau werd in een dekentje van zilverfolie gewikkeld en door politie en brandweer afgevoerd. ‘De derde donderdag in april, kun je dan?’ vroeg de uitgeefster. Ik knikte. Ik doe alles voor de verkoop van mijn boek. Ook van een hotel af springen met een elastiek om mijn middel als mijn uitgeefster dat wil.