
‘Palmbomen zijn de lelijkste bomen die er zijn,’ sprak mijn vriendin Titia. ‘Als je er goed naar kijkt, zie je dat ze volledig uit proportie zijn. Ze hebben zo’n lelijke stam en er hangt altijd ergens zo’n bruin geknakt blad aan. Mensen vinden palmen leuk omdat ze het associëren met zon en zee en daarom denken ze dat palmbomen mooi zijn.’ Ik moest haar gelijk geven. Lindebomen zijn veel mooier, kastanjebomen, eiken, een rode beuk, allemaal prachtig. Maar nog lelijker dan palmbomen, zijn naaldbomen. Tenzij je de palmboom ziet als een hele grote naaldboom.
Een paar jaar geleden, toen ik dertig werd, ging ik met mijn man naar de Veluwe om te wandelen. Bij een kantoortje van de VVV vroeg ik een mevrouw om een wandeling. ‘Maar,’ zei ik er bij, ‘ik wil geen naaldbomen zien.’ De mevrouw keek me aan in grote vertwijfeling. ‘Eens kijken,’ sprak ze monter, en ze bladerde voor de vorm door een mapje. ‘Zonder naaldbomen,’ zei ze. ‘Ik hou niet van naaldbomen namelijk’ zei ik. ‘Ik ben bang,’ sprak de vrouw, na vijf minuten bladeren, ‘dat we alléén maar wandelingen door naaldbossen hebben. Dit is de Veluwe. Maar wacht,’ riep ze, ‘ik heb iets gevonden.’
Een half uur later liepen mijn man en ik over een hele grote zandvlakte. Midden in het bos hadden ze een mini-woestijn aangelegd. Aan de rand stonden een heleboel naaldbomen, maar als je je ogen tot spleetjes kneep, leken het wel palmbomen.







