Maandelijks archief: augustus 2009

Drentse bergen

Mijn broer woont in een dorp in Drenthe. Het is er zo vlak dat je vanuit zijn tuin helemaal tot in Groningen kunt kijken. Maar vandaag is zijn dorp de bergetappe van de Ronde van Spanje. Het is moeilijk uit te leggen hoe grappig ik het vind dat het hele dorp al weken in de ban is van de Spanjaarden. Er hangen rode en gele slingers van boerderij naar boerderij, de mannen spelen de hele dag gitaar, de vrouwen dansen de flamingo (ha, u zegt: het is flamenco, maar in dit geval zeggen ze flamingo). Mijn broer eet al dagen paella en zijn vrouw is half Spaans (maar dat was ze voor die tijd ook al).

De ronde van Spanje, vergelijkbaar met de Tour de France, moet op de tweede dag een bergetappe hebben. Het is de tweede keer dat de Spaanse fietswedstrijd buiten Spanje van start gaat, maar dat er in Nederland geen bergen waren, dat was een vergissing van de organisatie. Tot een paar maanden geleden zag het er naar uit dat het hele fietsspektakel moest worden afgeblazen. Tot er een vindingrijke Drent was die bedacht dat het dorp Witteveen dertig meter boven de zeespiegel ligt. Precies de minimaal vereiste hoogte voor een Spaanse bergetappe. En daarom woont mijn broer vandaag in een Spaans dorp in de bergen. Wie van wielrennen houdt, kan bij hem langsgaan. Hij heeft een tribune van triptrapjes in zijn voortuin gebouwd.

Why not be a writer?

writer

Je had gehoord dat ik thuiswerker was geworden en dus belde je me op. Jij was ook thuiswerker. Al jaren en het beviel je goed. Dat je huis een zwijnenstal was geworden en je vrouw je had verlaten, dat nam je op de koop toe. Je telefoon was een tijdje geleden afgesloten, maar nu had je zo’n leuk modern mobieltje gekocht. Iedereen had er tegenwoordig een. Of ik nu ook fulltime schrijver was, net als jij, wilde je weten. Ik vertelde over mijn baan als redacteur bij het tijdschrift en over de opdrachten die af en toe nog wel binnen kwamen van andere tijdschriften. Ik wilde liever niet zoals jij wegkwijnen in een huis waarvan de gordijnen niet meer open kunnen. Ik ben dan wel een thuiswerker, maar geen kluizenaar. Ik vertelde je over de brief die ik had gestuurd naar het Fonds voor de Letteren. Dat had jij ook wel eens gedaan, zei je. Zelfs nadat je een grote prijs had gewonnen hadden ze je nog betaald – al vond je dat zelf eigenlijk nergens voor nodig. Ik begreep wel waarom jij geld kreeg, maar waarom ik? Waarom niet heel hard werken en dan in de weekeinden en avonden boeken schrijven? Maar jij vond dat ik dat niet te hard moest zeggen en al helemaal niet op mijn blog moest zetten. Je andere adviezen heb ik niet meer gehoord, want je beltegoed was bijna op. Je zou me nog een keer meenemen naar het schrijverscafé. Veel drinken, dat was het leukste van schrijver zijn, vond jij. En jouw boeken verkochten zo goed, jij kon zo veel drinken als je wilde. Ook al had de dokter gezegd dat het beter voor je zou zijn om te stoppen. Je lever was al zo groot als je laatste boek.

Ik belde het fonds voor de letteren om mijn adreswijziging door te geven. De brief waar in zou staan dat ik een berg geld zou krijgen om mijn volgende roman te schrijven, moest natuurlijk niet in de post verloren gaan. De vrouw aan de telefoon had de aardigste stem die ik ooit had gehoord. Ik zag haar zelfs lachen in mijn verbeelding, bij het horen van mijn naam. Was dat een goed teken? Of deed ze heel erg haar best om niet in lachen uit te barsten. Had ze de telefoon op de speaker-stand staan en luisterden alle medewerkers van het fonds nu mee, met hun hand voor hun mond om maar geen geluid te maken. Over twee maanden weet ik of ik geld krijg om een boek te schrijven. Als dat zo is, trakteer ik alle thuiswerkers.

Aangeboden: thuiswerk

maxima

Vanaf vandaag ben ik officieel een thuiswerker, een soort garnalenpelster, maar dan anders. Nu ik mijn kantoortje aan de gracht heb leeggeruimd, heb ik opeens twee bureaustoelen, twee computers, twee bureaulampen en veel te veel multomappen. Het thuiswerk zelf bevalt me prima, behalve dat het nogal eenzaam is en alles naar garnalen stinkt. Wie thuis werkt hoeft geen moeite te doen om zich aan te kleden. De hele dag in een peignoir door het huis lopen kan ook. Haren borstelen, parfum op spuiten, mascara aanbrengen, lippen stiften, het is allemaal niet nodig voor wie de hele dag in eenzame opsluiting doorbrengt. Het is jammer dat ik niet meer rook, anders zou ik een asbak naast mijn computer zetten en de hele dag roken, niemand die er last van heeft. Drinken kan ik zelfs, overdag, whisky, als ik daar van zou houden. Nu ik thuis werk praat ik ook hardop tegen mezelf. Ik spreek mezelf vriendelijk toe, vraag of ik nog een kopje thee wil en neurie dan leuke liedjes die ik op last fm hoor. De gordijnen doe ik nog wel open omdat het zomer is, maar ik kan me voorstellen dat ik die van de winter lekker dicht laat. En opstaan hoeft dan eigenlijk ook niet meer. De hele maand november lig ik met mijn laptop in bed, kopje thee erbij, kachel hoog. Vanaf daar is het nog maar een kleine stap naar mezelf verkopen via een webcam. En toch leek het een verstandige beslissing om het kantoortje op te zeggen.

Help!

help

Half september ligt ie in de winkel, het nieuwe boek dat ik samen met collega Janneke Staats schreef. Een handig boekje over open botbreuken, gruwelijke brandwonden, glassplinters in ogen en wat er gebeurt als je je vingers in het stopcontact stopt. Echt een leuk boekje voor jonge ouders. Alle ongelukken staan op alfabetische volgorde en er staan gelukkig geen foto’s in. Het boek is de opvolger van het succesvolle AU! Eerste hulp bij kinderziekten.

Ter promotie zullen Janneke en ik de komende maanden in een ambulance door het land rijden. Als u ons voorbij ziet komen, zwaai dan. Dan zwaaien wij terug met onze zwaailichten.

Ontzettend leuke actie van Shell

IMG_0923

Met een half oor luisterde ik naar de radio. Bij het reclameblok werd mijn aandacht afgeleid en daarom wist ik niet goed of ik het goed had gehoord. Als ik me verkleed als indiaan of cowboy zou melden bij een benzinestation van Shell, dan zou ik gratis kunnen tanken. Gratis tanken, ha, dat willen we allemaal. Snel zou ik naar de Shell rijden, het benzinestation dat ik al sinds 1988 boycot omdat ik in die tijd zoende met de man die zicht sterk maakte voor Shell-uit-Zuid-Afrika. Ik wist zeker dat ik nog ergens een cowboypak had liggen. Maar net toen ik de deur uit wilde gaan als een Dolly-Parton-meets-Old-Shatterhand, hoorde ik het volgende reclameblok. Niet elke cowboy kon zo maar tanken. Dat kon alleen bij bepaalde tankstations op bepaalde dagen op bepaalde uren. En al die bepalingen vond ik gewoon terug op de website. Groot was mijn teleurstelling toen bleek dat ik die dag alleen bij de Shell in Haren terecht kon. Haren, dat lag volgens mij in Groningen, 200 kilomtere van waar ik woon. Ik kende zelfs iemand die er woonde, maar om daar na al die jaren in een cowboypak langs te gaan… Maar hebberig als ik ben kan ik een gratis tank benzine natuurlijk niet aan mijn neus voorbij laten gaan. Gelukkig heb ik in deze snoeihete augustusweek nog een kans. Aanstaande vrijdag mag ik gratis tanken als ik me tussen twee en half vier meld bij dat ene Shell-station in Leeuwarden. Ik moet dan wel verkleed als ski-leraar, maar dat is niet het probleem. Ik heb nog een zilveren skipak op zolder, twee moonboots en een paar warme wanten. Misschien dat ik op de terugweg dan toch nog even langs ga bij mijn vriend uit Haren. Het is een eindje rijden, maar ik heb een tank vol benzine.

In de huizen waar ik niet meer woon

IMG_0911

In de huizen waar ik niet meer woon, wonen nu andere mensen. Wildvreemde mannen plassen op mijn wc-bril, onbekende vrouwen wassen hun haren onder mijn douche, vieze zeepjes overal. Een van die huizen is inmiddels ontploft (ik zag het op het journaal toen ik elf was), iets met een gaslek in Brabant. In een van de andere huizen woont een vrouw die verlaten werd door haar man omdat deze een verhouding kreeg met de weduwe van Willem Ruis, ik weet ook niet waarom ik dat weet. En dan is er nog het huis op de foto (Dublin). Ik woonde er van mijn 26ste tot mijn 28ste. Ik zag er heel jong uit in die tijd. Ik was te klein of het huis te groot, maar we waren een gekke combinatie dat huis en ik. Twee weken geleden stond ik er voor de deur. Ik belde aan. In het huis waar ik woonde was niemand thuis. Na een kwartier stond ik er nog met een hoofd vol herinneringen. Tot mijn schrik ging de deur open. Wat ik wilde, vroeg een man in een joggingbroek achterstevoren en een t-shirt binnenstebuiten. Zijn huid had een wonderlijke kleur, iets tussen aubergine en grijs in, wat in de kledingwinkels vorig seizoen taupe heette. Of hij geld overhad voor Jantje Beton vroeg ik. Little John Concrete, hij had er nog nooit van gehoord. Hij vertrouwde mij duidelijk net zo min als ik hem en dat was precies de bedoeling. Want hoe graag ik ook had rondgelopen in het huis dat ooit het mijne was, ik wilde mezelf niet terugzien in een Ierse pendant van Opsporing Verzocht. De man met een hoofd als een compositiefoto maakte een gebaar met zijn hand. ‘I am with somebody,’ zei hij. Vriendelijk lachend liet ik hem alleen met mijn huis, en brak de rest van de dag mijn hoofd over wat hij had gezegd. I am with somebody. Er wonen rare mensen in de huizen waar ik vertrok.

De tranen van het kassameisje

crying

Vorig jaar las ik het verslag van de Duitse journalist Gunter Walraff die een maand lang under cover bij de Duitse Lidl had gewerkt. Hij riep daarna iedereen op om de supermarkt te boycotten omdat het personeel er schandalig werd behandeld. Ik gaf direct gehoor aan zijn oproep. Dat was ook wel makkelijk, want ik was nog nooit in een Lidl geweest. Vandaag maakte ik een uitzondering en wandelde naar binnen omdat in keukenkringen het verhaal gaat dat de Lidl de lekkerste pasta verkoopt

Aan de kassa zat een meisje van een jaar of twintig. Ze zat voorovergebogen en hield haar hand voor haar mond. ‘Gaat het?’ vroeg de vrouw voor mij in de rij. Het meisje schudde haar hoofd. ‘Ik moet bijna overgeven,’ zei ze, en haar wangen werden bolletjes. Toen ik mijn drie pakken tagliatelle op de band zette, draaide ze zich van mij af en greep naar haar maag. ‘Hoe voel je je?’ vroeg het kassameisje in de rij naast ons. ‘Niet zo goed,’ sprak mijn kassameisje. ‘Ik val bijna flauw.’ Zweet liep in straaltjes over haar voorhoofd. ‘Moet je je niet ziek melden?’ vroeg ik. ‘Dat kan niet,’ zei mijn kassameisje, ‘er is te weinig personeel. Niemand kan de kassa overnemen.’ Ze keek me aan als een hond in het asiel. ‘Je moet je ziek melden,’ sprak ik nu als een bezorgde moeder. ‘De Lidl gaat heus niet failliet als jij je ziek meldt en je gezondheid is het belangrijkste wat je hebt.’ Mijn kassameisje keek me nu met haar grote bruine ogen aan en er rolde een traan over haar wang. ‘Ik ben bang dat ik mijn baan kwijtraak als ik me nu ziek meld,’ zei ze. ‘Dan vind je wel een andere baan,’ sprak de Gunter Walraff in mij. Mijn kassameisje huilde nu. Grote tranen.

‘Kunt u opschieten?’ vroeg de man achter mij. Hij had genoeg van mijn gebabbel en genoeg van het huilende kassameisje. ‘Ziet u niet dat ze ziek is?’ vroeg ik. ‘Dat kan me niet schelen,’ zei de man, ‘ik heb ook dingen te doen.’ Mijn kassameisje droogde haar tranen, haalde haar hand voor haar mond weg en maakte een flinke spuugbeweging naar de man. Ze voelde zich nog steeds niet zo lekker.