Maandelijks archief: september 2009

Alain

lapiscine

Al weken wandel ik elke dag langs een winkeltje in het centrum van Amsterdam waar een man die Camel rookt oude filmposters verkoopt. En elke dag zie ik in de etalage een zwart-wit poster van La Piscine met Alain Delon en Romy Schneider. En hoe vaker ik ze zie, hoe meer ik aan ze gehecht raak. Romy lijkt een beetje op mijn moeder van vroeger en op mijn dochter van later. Natuurlijk weet ik dat Alain en Romy in het dagelijks leven niet zo gelukkig waren en dat Romy een zoon had die op zijn zestiende op een hek met punten viel en stierf. En dat Romy later zelfmoord pleegde en dat Alain op een dag in Heemstede ging wonen, waar ik ooit pardoes naast hem stond bij de groenteboer (!!). Maar dit allemaal terzijde, vind ik het gewoon een hele mooie poster. Ik zou het liefst mijn hele huis met filmposters vol plakken als er niet een beetje een jaren zeventig-luchtje aan zou hangen. Voor ik het weet heb ik ook nog een zitkuil in mijn woonkamer.

Maar vandaag was mijn poster weg. Er hing nu een raar rood gevalletje van Monsieur Hulot. Of de poster van vorige week nog te koop was, vroeg ik aan de verkoper, die achter in de zaak een sigaret rookte. Hij zuchtte. ‘Je bent al de tiende die het vraagt,’ zei hij. ‘Maar niemand wil ‘m hebben.’ Ik haalde opgelucht adem. Het was goed nieuws, voor hem en voor mij, want ik wilde hem wél hebben. ‘Hij kost namelijk 500 euro.’ Ik lachte. Een gekke hoge lach die mijn teleurstelling en schrik verried. Ik vertelde hem dat ik een ander beroep had moeten kiezen. ‘Een ander beroep?’ vroeg hij die mij verkeerd begreep. ‘Ik ben 56, ik kan niks. Niemand wil mij hebben.’ Ik legde hem uit dat niet hij, maar ik een ander beroep zou moeten nemen en dat ik dan zo veel zou verdienen, dat ik zijn veel te dure filmposter zou komen kopen. Maar ik kon natuurlijk ook doorgaan met wat ik deed. Jeugdromans schrijven en dan rijk en beroemd worden. ‘Later,’ zei ik, ‘ben ik een rijke kinderboekenschrijver. Dan kom ik terug. Zorg dat je de poster tot die tijd voor mij bewaart.’ Hij drukte zijn sigaret uit, rolde de poster op, vouwde er een oude krant omheen en zei: ‘hier, voor jou, je mag ‘m zo meenemen.’

Slechts een ding in dit verhaal is niet waar:

A. De man in de winkel rookte geen Camel

B. Alain Delon woonde niet in Heemstede

C. De filmposter heb ik helemaal niet gratis meegekregen.

Geef het goede antwoord en beargumenteer waarom je dit antwoord hebt gekozen. Weet je het antwoord niet, ga dan door naar de volgende vraag.

Duingalow

manon en auteurs

Mijn uitgeefster (op de foto met zonnebril) wilde een duingalow kopen. Ik wist niet wat een duingalow was, maar volgens haar was een duingalow het logische vervolg op de stolpboerderij in Friesland (1979), het tweede huisje in Frankrijk (1989) en het huis in Toscane (1999). Iedereen had tegenwoordig duingalows, zo beweerde ze. En om het met eigen ogen te zien, nodigde ze haar lievelingsauteurs uit om een dagje naar Wassenaar te komen, waar haar duingalow stond. Wat ze er niet bij had verteld, was dat het rond haar duingalow Tinadag was. Tienduizend Tina-lezeressen in de leeftijd tien-plus lopen daar rond, zonnebril op, OB-tas over de schouder en op zoek naar Carry Slee. Maar Carry was ook niet van gisteren, die had zich verstopt in haar eigen duingalow. En zo kwam het dat ik op een prachtige zondag in september op een klapstoel zat aan een tafeltje voor de duingalow van mijn uitgeefster en er tienduizend meisjes om mijn handtekening kwamen vragen. Naast mij zaten de schrijfsters Tiny Fisscher, Victoria Farkas en Jantien Belt en we handtekenden tot het duingalowpark dicht ging. Soms is het ontzettend leuk om bijna beroemd te zijn.

We spelen dat ik jarig ben

bos1599

We spelen dat ik jarig ben. Je koopt een taart voor me met 44 kaarsjes. Je vraagt wat ik wil doen en ik zeg dat ik graag naar de Kaapse bossen wil. Dat is bijna Veluwe, maar dan zonder die spuuglelijke naaldbomen. Je zucht en moppert want je houdt niet van wandelen. Ik wel. Ik doe mijn afritsbroek aan en mijn luchtdoorlatende waterdichte wandeljack en hang mijn rugzak om. Jij zoekt je kaplaarzen, want het zou wel eens kunnen gaan regenen. Je kan er maar een vinden. En terwijl ik fluitend door het bos ga, je wijzend op bomen die al bijna van kleur verschieten, strompel je naast me op een kaplaars en een gymschoen. Ik wijs je verrukt op de kleur van de herfst. Jij ziet er alleen maar dode bomen in, of in ieder geval bomen die hun beste tijd hebben gehad. Ik laat bomen zien in oranje, rood en geel, maar je houdt – anders dan ik – meer van lichtgroen. Het belooft weinig goeds voor mijn eigen leven over dertig jaar. Daar waar ik zal verschieten in de kleuren wit, grijs en okergeel, zul jij denken dat ik aan het dood gaan ben. Tegen die tijd zal ik moederziel alleen zitten in mijn vogelobservatiehut ergens op Tessel en zal ik luidkeels voor mezelf zingen. Een beetje krakerig, maar ook dat vind ik wel mooi. Maar nu spelen we gewoon nog even dat ik jarig ben.

Tinadag

tinadagmetMo

Een jaar geleden was ik op de Tinadag. Ik hield daar de grote liefdesquiz, een razend moeilijke quiz met gruwelijke liefdesvragen. Hoewel ik op dat moment de meest onbekende kinderboekenschrijver van Nederland was, zat de zaal vol. Honderden meisjes, nee duizenden meisjes waren naar mijn quiz gekomen. Nu sta ik graag op een podium, maar de populariteit van mijn quiz maakte ook mij licht nerveus. De zaal zat zo vol, dat er zelfs Tinameisjes onder de voet werden gelopen. Buiten duwden ze elkaar opzij om binnen te komen. Pas later hoorde ik dat een scout van een bekend fotomodellenbureau bij de ingang van de zaal stond om mooie meisjes eruit te halen.

Zondag sta ik er weer. Dit keer niet met de grote liefdesquiz, maar gewoon signerend op een stoel achter een tafel. Maar ik verklap nu al dat dezelfde modellenscout van vorig jaar ook deze keer naast mij staat. Kom dus allemaal langs om een boek te kopen en wie weet ben jij straks de nieuwe Doutzen Kroes!

Het mooiste uitzicht van de stad

obauitzicht

Vanaf mijn nieuwe werkplek in de openbare bibliotheek heb ik het mooiste uitzicht van de stad. Als het regent zit ik bij de tijdschriftenafdeling, als de zon schijnt zit ik op het dakterras. Maar behalve van het uitzicht geniet ik ook van de anonimiteit. Zo veel mensen en niemand met wie ik hoef te praten. ‘Ik zou gelijk afgeleid zijn door al die tijdschriften,’ sprak een vriend. ‘Ik kom hier altijd om naar leuke meisjes te kijken,’ sprak een ander. Maar ik, ik word nergens door afgeleid. Nou ja, behalve dan door dat fenomenale uitzicht.

Sem wil met Stijn spelen

bionic-woman

Ooit las ik ‘les jeux sont faits’ van Sartre waarbij de doden doorgaan met leven op aarde, met als enig verschil dat zij de levenden wel zien, maar door hen niet gezien kunnen worden. Later las ik ‘How the dead live’ van de Engelse schrijver Will Self. Hetzelfde idee, maar dan net anders. Aan beide boeken denk ik wanneer ik naar de schoolpleinmoeders kijk. Schoolpleinmoeders zijn rond de veertig en mooi geweest. Eigenlijk zijn ze nog steeds mooi, als ze op tijd hun haren zouden wassen. Omdat ik zelf tot de soort behoor zie ik ze overal lopen. King Louis-jurkje, Freitag-tas, hippe klompjes, gekleurde teennagels, rode lippenstift en bakfiets. Zoals de doden in de boeken van Sartre en Self de levenden kunnen zien, maar zelf niet gezien worden, zo zijn de schoolpleinmoeders onzichtbaar voor de niet-schoolpleinmoeders. Als je even niet oplet, zoeven er zo drie voorbij op het fietspad, hun Louis-rokjes wapperend in de wind, en weg zijn ze. Gelukkig is er een groep die wel oog heeft voor de schoolpleinmoeders. Dat zijn de schoolpleinvaders. Spijkerbroek, t-shirt, hippe gympen, Kyoto-tas, bakfiets.

Dit was de inleiding.

Ik woon op de begane grond. En voor mijn raam speelde zich een prachtige paringsdans af tussen een schoolpleinmoeder en een schoolpleinvader. De schoolpleinmoeder was niet alleen mooi geweest, ze was het nog steeds. Ze had haar haren zojuist gewassen – en geföhnd. Ze liep langs mijn raam. En daar kwam de schoolpleinvader op zijn bakfiets langszij. ‘Luister,’ zei hij. De moeder bleef staan, afwachtend. ‘Sem wil met Stijn spelen.’ Hij zei het dwingend. Alsof hij bepaalde wie met wie speelde. De moeder sloeg haar armen over elkaar en beet op haar lip. ‘Ik weet het niet,’ zei ze. De schoolpleinvader liet zijn schouders hangen. Het was duidelijk dat hij al zijn moed had verzameld om deze ene zin eruit te persen. Nu wist hij niet hoe hij verder moest. ‘Kan het?’ vroeg hij. Bijna smekend. De schoolpleinmoeder zetten haar hand op haar heup en streek haar andere hand door haar bruine haar. Ik keek toe naar de twee baltsende schoolpleinouders. ‘Ik geloof dat Stijn vanmiddag Judo heeft.’ De schoolpleinvader liet zijn schouders nu nog verder hangen. Maar zijn ogen werden steeds groter. Ik zag hoe hij in zijn fantasie de schoolpleinmoeder in zijn bakfietsje gooide en hard met haar weg wilde fietsen. Naar een grasveldje in de zon, waar hij… nee, verder gingen zijn fantasieën niet. ‘Jammer,’ zei hij. Het klonk gemeend. Niet alleen jammer dat Sem niet met Stijn kon spelen, maar jammer van alles eigenlijk. ‘Sorry,’ zei de schoolpleinmoeder, alsof ze hem zojuist te kennen had gegeven dat ze niet met hem wilde dansen. De vader sjorde wat aan zijn rugzak en zei: ‘andere keer dan.’ De schoolpleinmoeder lachte en huppelde verder op haar gelakte Birckenstocks.

Waarom ik honing haat

42-16250905

Ik haat honing. Nou ja, misschien is haat niet het goede woord. Ik gruwel van honing. Al zo lang als ik me kan herinneren word ik misselijk van de zoete geur. Volgens mijn vader is het psychisch. Het is terug te voeren op een incident uit mijn vroege kinderjaren toen ik doodziek in bed lag en als medicijn een lepel honing kreeg. Volgens hem moet ik me daar overheen zetten. Maar hij heeft makkelijk praten, want hij is dood. Soms spreekt hij tot mij vanuit het hiernamaals. Niet omdat ik in een hiernamaals geloof en ook niet omdat ik stemmen vanaf de eeuwige jachtvelden krijg doorgeseind, maar omdat ik doe alsof. Hoe  zijn stem echt klinkt ben ik al lang vergeten. Hij is in de loop der jaren steeds meer met een yiddisch accent gaan praten, maar vooral omdat hij dat zelf zo leuk vond. Dan verwijst hij naar mijn verre voorvaderen uit het land van melk en -gatver- honing!

Vandaag hoorde ik een andere stem. Ook iemand die ik nooit zie, maar die vanuit de virtuele ruimte tot mij spreekt. Als we elkaar ooit zouden zien, dan zouden we een kopje thee met honing drinken beloofde hij. ‘Gatver,’ antwoordde ik, ‘ik hou niet van honing.’ Dat kwam goed uit, vond hij, want zelf hield hij daar ook niet van. Het was de eerste keer dat ik iemand sprak die ook niet van honing hield. Ik heb zo’n nergens op gebaseerd idee van uniciteit dat ik dacht dat ik de enige was op de wereld met een hekel aan honing. Al googelend leerde ik vandaag dat er zelfs verenigingen zijn opgericht voor mensen die niet van honing houden. Er zijn boeken over geschreven en er zijn forums van honinghaterlotgenoten. Wie niet van honing houdt, zo heb ik vandaag ontdekt, is waarschijnlijk allergisch voor bijenspeeksel! Sinds ik dat weet, heb ik mijn gevoel van uniciteit weer terug. Ik ben namelijk ook allergisch voor laurierbloesem. En nu dus voor laurierbloesem en bijenspuug. Over die combinatie heb ik nog geen enkel forum op internet gevonden. Maar herkent u zich hierin, meldt u zich dan. Dan drinken we samen een kopje laurierbloesemthee met honing en zien we wel wat er gebeurt.

Biebblog

OBA

Ik heb een nieuw kantoortje. Drie dagen in de week zit ik op mijn entresol in de OBA, de openbare bibliotheek van Amsterdam. Ik zit met mijn rug naar de tijdschriften, zodat ik ze niet zie en niet in de verleiding kom om ze te lezen. En ik kijk uit op de kinderboekenafdeling. Mijn boeken zijn hier helaas altijd uitgeleend, maar ik weet zeker dat ik op een dag een meisje zie lopen met een Izzylove-boek in haar handen. Vanaf mijn bureautje aan het balkon wuif ik haar dan toe. ‘Goeie keus,’ roep ik dan. ‘Ik ben de schrijfster.’ Mijn lezeresje zal verschrikt het boek terug zetten en snel een boek van Carry Slee pakken. Ik laat mij dan vanaf het balkon naar beneden zakken en ik zal het boek uit haar handen grissen. Echt bang zal ze het op een lopen zetten en met de roltrap naar de zevende etage vluchten. ‘Je moet mijn boek lezen,’ grom ik. ‘Wat denk je dat ik hier de hele dag zit te doen in de bieb? Schrijven, ja! Hoe denk je dat al die boeken hier komen? Omdat wij schrijvers de hele dag met onze rsi-handjes zitten te typen op die boeken van jullie.’ Het meisje zal om hulp roepen en de OBAwaking zal mij het pand uit zetten.

Maar vooralsnog zit ik hier heel gelukkig te zijn bij de afdeling Maatschappij en Opvoeding, te schrijven aan mijn derde Izzylove-boek.

Charlie Wadhams

Het is heel goed dat ik geen muziekblog heb, want ik zou de binnen de kortste keren alleen nog maar schrijven over net ontdekte liedjes en indie music. Dat bespaar ik iedereen graag. Maar voor deze maak ik graag een uitzondering. Een heel fijn liedje, alleen moet je je ogen dicht doen wanneer die man met zijn gitaar in beeld komt. Hoewel hij geloof ik de zanger is.

512

pepernotenHet was onverwacht warm. De winterslofjes die ik al uit de kast had gehaald, konden weer uit. In Duitsland was zelfs een hittegolf, zo las ik per ongeluk in de krant. Per ongeluk omdat ik het weerbericht altijd probeer te vermijden – ik laat me liever verrassen. Dat verrassen kwam dit keer niet door de nazomerse hittegolf, maar door de supermarkt die drie schappen had ingeruimd met pepernoten. PEPERNOTEN! Niet een schap, maar drie. Ik telde op mijn vingers en kwam tot drie maanden te vroeg. Terwijl ik zo mijn best doe om te genieten van wat er nu is. En ik hou van de herfst. Het is mijn meest allerliefste favoriete lievelingsseizoen van alle seizoenen. De lage zon, de bomen die langzaam verkleuren, de vogels die wegtrekken. Afscheid van het leven, zoals Jaap van Zweden het afgelopen zondag op tv noemde na het horen van de 9e van Mahler. En daarin zit de schoonheid, althans voor mij. De eindigheid maakt alles wat er nu is mooi. Maar fu*&ing pepernoten gooien alles in de war. Pepernoten in augustus betekent dat de supermarkt niet heeft begrepen dat alles zijn verloop heeft. Dat er seizoenen zijn en dat alles eindigt en daarna weer opnieuw begint. Maar niet in augustus.

Ik pakte mijn watervaste Edding-stift en schreef heel groot op de randen van de schappen: sinterklaas bestaat niet. Sinterklaas is je opa in een jurk. Sinterklaas is een gehuurde opa in een jurk. Ik zag moeders geschrokken hun handen voor de ogen van hun kleuters slaan. Een jongetje van vier begon te huilen. ‘Hij bestaat wel, hij bestaat wel,’ riep hij, stampend met zijn sandaaltje op de grond. Zijn moeder nam hem in haar armen en keek mij boos aan. ‘Ja hoor lieverd, sinterklaas bestaat wel.’ Ik stak mijn tong naar haar uit. ‘Nietes,’ zei ik. Daarna kocht ik een zakje pepernoten en strooide het in de tram naar huis in het rond. Alle passagiers leken verbaasd. Wie strooit er nou pepernoten in augustus?