Maandelijks archief: november 2010

Alle problemen de wereld uit

‘Wat doe jij eigenlijk bij de krant?’ vroeg ik aan een vriend die bij de Volkskrant werkt. ‘Ik help de problemen de wereld uit,’ zei hij een beetje nuffig. ‘Ja, hoor,’ zei ik. ‘Nee, echt,’ zei hij nu ‘alle problemen!’ Mijn vriend van de krant zei wel vaker gekke dingen, maar zo gek had ik nog niet eerder gehoord. ‘Noem er eens een,’ zei ik, en ik keek hem uitdagend aan. ‘Nou,’ sprak hij ferm, ‘om te beginnen probeer ik de armoede in Sierra Leone te bestrijden. En de werkomstandigheden van de mijnwerkers in Bangalore te verbeteren.’ Ik vertelde hem dat er helemaal geen mijnen zijn in Bangalore, maar hij pareerde dat door erop te wijzen dat dat nou juist het probleem is van die mijnwerkers daar. En dat hij, bij de krant, dat allemaal de wereld uit ging helpen. Ik geloofde er niets van. Alle problemen op de hele wereld, dat is best veel. En als je eindelijk overal schoon drinkwater hebt geregeld, godsdienstoorlogen hebt beslecht en onderwijs voor meisjes in Kaboel hebt geregeld, dan zit je nog met zoiets als stedenbouwkundige problemen in Madrid of monetaire hommeles in Ierland. De vriend knikte geruststellend. Gezondheidsproblemen, relatieproblemen, drankproblemen, straks allemaal opgelost. ‘Ook de hele kleine probleempjes?’ vroeg ik. ‘Ook die,’ zei hij. En als je zo druk bezig was, dan was het niet raar dat je iets anders soms moest laten liggen.

Een uur later kreeg ik als bewijs een briefje van de hoofdredacteur.

Geachte heer/mevrouw Sikkel,

U heeft de afgelopen weken geen vlekkeloze toegang gehad tot de online-krant. Hierbij bied ik u onze welgemeende verontschuldigingen aan voor het ongemak.

De problemen komen door de overgang naar een nieuw redactioneel computersysteem. Maar dat is uiteraard geen excuus. U heeft recht op doorlopende digitale bezorging van uw krant.

Wij werken er achter de schermen dan ook heel hard aan de problemen uit de wereld te helpen.

Met vriendelijke groet,

Philippe Remarque
Hoofdredacteur de Volkskrant

Sientje

Mijn vriendin Sientje was ooit het mooiste meisje van de klas. Zo mooi dat de jongen die zes jaar lang vanaf een bankje achter in de klas verliefd op haar was er later een tv-programma van maakte. Hij noemde het ‘het mooiste meisje van de klas.’ Op een dag zaten mijn vriendin en ik te eten bij een restaurant aan de Prinsengracht. Er kwam een grote blonde man aan onze tafel staan. Hij deed zijn best om niet te blozen toen hij mijn vriendin vroeg of zij – als de vrouw om wie het hem allemaal te doen was geweest – in zijn televisieshow wilde meedoen. Mijn Sientje lachte hard en hartelijk. Natuurlijk wilde ze dat niet doen. Ze had niet voor niets cum laude drie studies afgerond, de halve wereld over gereisd en al het spaargeld van Skandinavië netjes belegd voor een grote bank. Dat had ze allemaal gedaan zodat mensen wisten dat ze behalve mooi ook nog reteslim was. ‘Dan niet,’ zei de grote blonde man enigszins teleurgesteld. ‘Als je ooit nog een programma maakt over het slimste meisjes van de klas,’ riep Sientje hem na, ‘dan ben ik je vrouw.’ Hij hoorde het al niet meer, de doofste jongen van de klas.

Moe nie weggaan nie

‘Ik ga weg,’ zei ik zo hard mogelijk toen ik met mijn Oda over de gracht liep. Ik wist dat je in een slecht-nieuws-gesprek het nieuws altijd zo snel en direct mogelijk brengen. Niet om de zaak heen draaien, maar zeggen en herhalen. Vroeger liepen mijn Oda, ik en onze Floor elke dag met z’n drietjes over de gracht. Onze grachtenwandeling langs de bakker van dure broodjes. En op een dag was onze Floor weg. Ontslag genomen. Zomaar. Mijn Oda was ontroostbaar. Net toen ze gewend was aan het feit dat we nog maar met z’n tweetjes over de gracht liepen, kondigde ook ik mijn vertrek aan. Oda trok een wenkbrauw omhoog als teken dat ze me gehoord had en rechtte haar rug om te laten zien dat ze prima in staat was om straks alleen over de gracht te lopen. Een uur later vond ik een youtube-filmpje in mijn postbus. ‘Moe nie weggaan nie’ was de titel. Ik zette mijn koptelefoon op, draaide de muziek hard en luisterde. En terwijl de tranen over mijn wangen stroomden keek ik naar mijn Oda. Dit keer zou niet de achterblijver in huilen uitbarsten, maar de vertrekker. Lekker puh.

Schrijvers op elkaar

In november 2006, nu precies vier jaar geleden, begon ik een blog. Niet omdat me dat leuk leek, maar omdat ik me raar en droevig voelde. Ik had namelijk net een boek ingeleverd bij mijn uitgever, Mai Spijkers, en verveelde me een beetje. Mijn blog was dus vooral afleiding. Een bevriende schrijver had in die tijd een website die ‘schrijvers op elkaar‘ heette en had gevraagd of ik me wilde aanmelden. De titel schrijvers op elkaar was misschien wat vreemd, maar ik liet toch mijn naam en foto achter op de site. Plus een verwijzing naar mijn nieuwe blog – dat toen drie lezers had, maar het werden er al snel zeven. Maar het mooie was vooral dat ik me heel erg schrijver voelde.

Deze week, precies vier jaar later, en twee jaar na de publicatie van mijn eerste jeugdroman, heb ik besloten om echt schrijver te worden. Ik heb er een seconde goed en lang over nagedacht en heb toen mijn ontslag ingediend bij Psychologie Magazine. Met pijn in het hart ga ik daar 1 februari weg. ‘Je weet dat je niet van je boeken kunt leven, he?’ riep mijn uitgeefster Thille mij toe vanaf haar griepbed. Dat wist ik, zei ik. Ze hoefde zich nergens druk om te maken. Ik zou geen rare voorschotten vragen, niet boos zijn als de herdrukken niet snel genoeg verschenen en ik zou nooit klagen over weinig geld. Maar ik zou voortaan wel heel erg genieten van schrijver zijn. Ik stel me dat net zo mooi voor als vier jaar geleden toen ik mijn eerste blogje schreef:

“Sinds ik ben toegelaten tot de schrijverscommunity ‘Schrijvers op elkaar’ word ik anders wakker. Ik ben nu namelijk officieel schrijver. Mijn eenvoudige huisje heeft opeens hoge plafonds en boekenkasten rondom. Op de eettafel staan altijd lege flessen van de avond ervoor en in een asbak ligt een smeulende peuk. Mijn Ikea-tafel is nu een notenhouten bureau met lades. In die lades zitten half voltooide manuscripten met inktvlekken erop en ansichtkaarten die bevriende schrijvers mij vanaf hun buitenhuis aan de Cote d’Azur hebben gestuurd. Mijn laptop is een typmachine geworden, mijn mobiel is voortaan van bakeliet. Mijn haar draag ik opgestoken zoals de jonge Woolf (of had ze het als jonge vrouw los en ging het later in een knot… dat moet ik nog even uitzoeken). Ik wil nu natuurlijk ook een minnaar. Een man die pijp rookt, een bandplooibroek draagt die hoog om het middel sluit en die zijn boeken aan mij opdraagt. En ik heb natuurlijk schrijvende vrienden die ik elke dag ontmoet in café de Zwart in Amsterdam. En zo droom ik nog even door. Het enige nadeel is dat ik hierdoor nauwelijks nog aan schrijven toekom.”

Ik ben een kleine zelfstandige

Ik ben een kleine zelfstandige. Ik vind dat een prachtomschrijving. Vooral aan dat klein hecht ik enorme waarde. Als kind was ik als vroege leerling die nog ergens een klasje oversloeg altijd de kleinste van de klas. Die liefkozende blikken van mijn klasgenoten ‘ach, wat is ze schattig’ heb ik voor altijd meegenomen. Ook nu ik heel groot en stevig ben. ‘Ik snap wel dat mannen jou leuk vinden,’ zei de hoofdredactrice van een krant een keer tegen mij. ‘Jij, met al je rondingen.’ Verbaasd keek ik haar aan. Rondingen? Waar had ze het over. Had ze wel eens naar haar eigen rondingen gekeken? Daarna lachte ik, want ik was opnieuw vergeten dat ik niet klein en snoezig ben, maar groot en angstaanjagend. Juist daarom ben ik altijd blij als ik een brief krijg van de belastingdienst of de Kamer van Koophandel waarin ze heel officieel over mij spreken als ‘kleine zelfstandige’. Ook dat woord zelfstandig geeft mij kracht. Alsof de belastingdienst en de kamer er het volste vertrouwen in hebben dat ik het allemaal alleen aankan. Nu ik nog.

(Foto: London, Essex Road 1988)

Amsterdam Winterland

Op het Rembrandtplein in Amsterdam staat Amsterdam Winterland. Een wonderlijk dorp van houten huisjes kerstmannen van plastic en oliebollenkramen. In het midden is een ijsbaantje met blauw licht. Ik wandelde er doorheen met mijn vriend uit de Hortus. Mijn vriend uit de Hortus is bioloog en blaast in zijn vrije tijd dode vogeltjes op. Die vogeltjes liggen platgeslagen in vrieskistjes. Af en toe haalt hij ze eruit en blaast ze met een luchtpompje op zodat hij ze kan bestuderen. Dat klinkt raar, maar hij vertelde dat het nog niet zo raar is als het vochtgehalte in rupsenpoep onderzoeken – een specialisme dat hij ook had kunnen kiezen. Vaak lopen de man uit de Hortus en ik door de Hortus Botanicus en verwonderen we ons over de planten. Allebei zijn we blij dat we iemand gevonden hebben die ook houdt van rare plantjes bekijken. Maar gisteravond liepen we over de Winterfair. Die was nog niet open dus we waren alleen. Alleen met een heleboel mannen in bruine tuinbroeken die bezig waren lampen met blauw licht op te hangen. In het blauwe licht zag alles er sprookjesachtig uit. Veel mooier dan de Hortus eigenlijk. Ik haalde mijn kunstschaatsen uit mijn rugzak en deed ze aan. Ik draaide rondjes op het ijs, terwijl mijn vriend uit de Hortus wat ski-oefeningen deed. Uit de speakers klonk muziek van Bing Crosby. Uit een sneeuwmachine dwarrelde kunstsneeuw. Ik draaide nog sneller rondjes op mijn kunstschaatsen en probeerde mijn evenwicht te bewaren door te blijven kijken naar een kerstman die onophoudelijk knipoogde en HoHo riep. Mijn vriend uit de Hortus vond dat ik er betoverend uitzag in het blauwe licht. Zelf leek hij wel op een sneeuw-engel, vond ik. Amsterdam Winterland: voor iedereen die geen kaartjes voor het IDFA heeft!

Afwezigheidsassistente

Afgelopen zomer had ik twee maanden vrij genomen om aan mijn nieuwe boek te werken. Omdat de meeste mensen niet begrijpen dat je niet aan een Turks  of Grieks strand hoeft te liggen om vakantie te hebben, vertelde ik dat ik weg was. Waar dat ‘weg’ precies was, liet ik in het midden. Ik was in ieder geval niet bereikbaar. Alleen zo kon ik mijn nieuwe boek schrijven. Het was een prachtzomer. Ik was er wel en ik was er ook weer niet. Mensen die mij toch mailden, kregen een vriendelijk bericht van mijn afwezigheidsassistente. Ik zou pas eind augustus terug zijn. Een vriendin, die niet geloofde dat ik weg was, schreef me toch. Ook haar afwezigheidsassistente stond aan. Elkaar schrijven voelde als twee spijbelende kinderen. Het leven was opeens kinderlijk eenvoudig. Vandaag stuurde ik een mail naar een bevriende journaliste. Ik had een prangende vraag. Ik kreeg per ommegaande bericht. Haar afwezigheidsassistente meldde dat ze pas vanavond mijn mail kon beantwoorden. Al wist ik zeker dat ze gewoon op de bank lag en alle afleveringen van de Bold and the Beautiful uit 1987 aan het kijken was. Mijn respect voor de afwezigheidsassistentes groeide. Ze waren niet alleen in de zomer inzetbaar, maar ook op een herfstige dag in november, wanneer je maar wilde. Snel paste ik de instellingen van mijn computer aan. Wie mij nu mailt, krijgt een vriendelijk briefje waarin staat dat ik een tijdje niet meer besta. Pas op 34 november ben ik weer terug.

Hoe laat je een jongen weten dat je hem leuk vindt?

‘Hoe laat je een jongen weten dat je hem leuk vindt?’ Dat is de vraag die mij het meest gesteld wordt. Meestal door lezers van een jaar of twaalf. Elke dag beantwoord ik braaf een uur lang vragen van fans. Gisteren zat ik in een café’tje met de redactie van Psychologie Magazine en rekende voor de grap voor hoe veel uur ik per jaar bezig was met post beantwoorden. Ik kwam op negen werkweken. Negen weken van veertig uur, zonder vakantiedagen. Geen wonder dat ik een tikje moe was. Geen wonder dat ik soms zomaar in huilen uitbarst. Of dat mijn redactrice bij de uitgeverij dagelijks voorzichtig vraagt hoe ver ik ben met de laatste versie van mijn nieuwe boek. Ik keek naar het servetje waar het getal negen op stond. Ik stelde me voor wat ik kon doen met negen weken tijd om te verprutsen. Tijd om door mijn vingers te laten glippen. Al die lange wandelingen die ik kon maken, al die boeken die ik kon lezen, al die boeken die ik zou kunnen schrijven! Ik nam een dapper besluit. Voortaan zou ik geen brieven meer beantwoorden. Althans, niet van lezertjes. Wel van jongens die ik leuk vind natuurlijk.

Als herboren

Ik stond in een loods aan de rand van Weesp. Buiten brandde een vuurtje. Er voeren schepen langs. Maar dat zag ik allemaal niet, want ik stond binnen, met mijn ogen dicht. Een man met een Bosnisch accent vertelde dat ik op het punt stond herboren te worden. Een man zonder Bosnisch accent klopte met zijn vingertoppen op mijn voorhoofd. Daarna klopte hij op mijn slapen, mijn bovenlip en zachtjes op mijn kin. In Bosnisch Nederlands kreeg ik de opdracht om terug te gaan naar mijn eerste levenservaring. Dat was makkelijker gezegd dan gedaan. Mijn geheugen uit die tijd is als een zeef. De man zonder Bosnisch accent klopte met zijn wijsvingers op mijn sleutelbeenderen. Ik moest me voorstellen dat er overal licht was en dat alles goed was, ook dat ik geboren was. Ik glimlachte. Natuurlijk was het goed dat ik geboren was. Ik kan daar werkelijk dagelijks van genieten. Het is het beste wat me is overkomen tot nu toe. En dat moest ik accepteren, zei de Bosniër. Ik deed mijn best de rebirthing sessie serieus te nemen. Buiten stonden mijn vrienden te roken bij een kampvuurtje. Na een tijdje mocht ik mijn ogen open doen. De Bosniër had een grappig gezicht met weinig tanden. De man voor me kwam me bekend voor. Hij heette Philip, zei hij en we meenden allebei dat we bij elkaar op school hadden gezeten. HIj drie klassen lager dan ik. Ik zei verontschuldigend dat ik per ongeluk in een rebirthing sessie terecht was gekomen. Hem was hetzelfde overkomen. We stonden tien centimeter van elkaar af en als we niet toevallig uit hetzelfde dorp kwamen, dan was het zelfs mij iets te intiem geweest. ‘Een biertje?’ vroeg Philip. We dronken en liepen naar buiten, naar onze vrienden die bij een vuurtje stonden te roken. De raarste gebeurtenissen zijn helaas meestal waar.

Onbegrijpelijke scène uit een raar huwelijk

Er zat een man tegenover me in de trein. Naast hem zat een man die sprekend op hem leek. Dat was zijn vrouw. Ze hadden zich ton sur ton in herfstkleuren gekleed. De vrouw had een bril met omgekeerde pootjes, de man een bril met twee rode potloden als brillenpootjes. Ik stelde me voor hoe ze die samen waren gaan uitkiezen. Ze hadden in ieder geval dezelfde slechte smaak in brillen, dat was mooi. Misschien was dat ook het enige wat hen bond want ze reisden natuurlijk niet voor niets in de stiltecoupé. Dat doe je niet als je elkaar van alles te vertellen hebt. De vrouw keek boos naar buiten. Haar kaken stevig op elkaar geklemd. De man keek zijdelings naar zijn vrouw, zijn schouders een beetje naar voren. Zijn hele gezicht sprak sorry. Ik brandde van verlangen om de reden te weten. Af en toe draaide de vrouw haar hoofd en keek minachtend naar haar man. De man bewoog dan de punten van zijn wenkbrauwen omhoog bij wijze van een nog grotere sorry. Ik kon mijn ogen niet van hen af houden. Het was een pantomime-voorstelling tweede klas. Scenes uit een huwelijk op een halve meter van mij vandaan. Dichter bij een slecht huwelijk kun je als buitenstaander niet komen. De man schoof heen en weer op zijn stoel een centimeter opschuivend in de richting van zijn vrouw. De vrouw schoof nog meer op naar het raam. ‘Kijk, koeien,’ zei ze opeens. De man volgde haar blik en keek naar de koeien die snel achteruit bewogen in het weiland. ‘Ja,’ zei hij, en hij knikte er goedkeurend bij alsof hij wilde benadrukken dat zijn vrouw iets heel bijzonders had ontdekt. ‘Zullen we de keuken witten?’ vroeg de vrouw. Het gezicht van de man lichtte op. Hij vond het een goed idee. Dan kon hij het gelijk van de te-doen-lijst strepen zei hij zacht. Hij keek blij. Zijn vrouw nog steeds boos. Ze pakte haar agenda en bladerde erin. ‘Wanneer denk je dat je dat gaat doen?’ vroeg ze pinnig. Ik zag aan de man dat hij het liefst nu aan de noodrem wilde trekken, naar huis wilde rennen en direct aan de slag. ‘Zaterdag,’ zei hij. Zijn vrouw schreef het op en klapte toen hard haar agenda dicht. Ze pakte een rol Mentos uit haar tas, stopte twee snoepjes in haar mond en hield hem toen ook de rol voor. De man begon hard te lachen. Zijn vrouw siste dat hij stil moest zijn. Ze wees op het raam waarop in koeienletters stiltecoupé stond. De man knikte en legde zijn hand op de hand van de vrouw. Zij trok die niet terug. Einde voorstelling. En nog steeds had ik geen idee waar de voorstelling over ging. Onbegrijpelijke scène uit een raar huwelijk.