De Nobelprijswinnaar, de dode schrijver en wij

Hoera! Mijn boek Slimpie Dimpie Wonderkind is genomineerd voor de Prijs van de Nederlandse Kinderjury. Maar niet alleen ik, ook de Franse winnaar van de Nobelprijs van de literatuur Patrick Modiano en Paul Biegel – die helaas in 2006 is overleden. Ik bevind me in goed gezelschap met mijn prijs. Knallen met de Kameleon is ook genomineerd, net als de Deense Laura Arnesen met haar praktische kinderboek over hoe je vlechten in je haar moet maken. Nu hou ik erg van de Prijs van de Nederlandse Kinderjury, omdat ik denk dat het kinderen extra aanzet tot lezen. Maar dit jaar vraag ik me toch af of er bij dehet CPNB iemand met een glaasje te veel op – of een blinde stagiaire – die lijst heeft samengesteld. Het boek van Govert Schilling staat er twee keer op, andere boeken staan er op zonder kaft, mijn eigen boek staat netjes gerangschikt onder de noemer School-en-beroep, want daar zoeken kinderen graag op en heeft de illustratrice als eerste auteur. Nou ja, zo zijn er nog wel wat meer schoonheidsfoutjes. Sommige auteurs worden met drie boeken genomineerd, anderen ontbreken heel opvallend. Sommigen zijn zelfs al dood.

Gelukkig zijn we kinderboekenschrijvers en kunnen we er om lachen. Tosca Menten en ik willen graag winnen van het Deense vlechtenmeisje. Daarom dat we onze eigen website hebben gebouwd: www.kinderjury.com. Stemmen kan vanaf 9 maart. Zet je kinderen vast aan het lezen!

Ik ben acht redacteuren

Mijn uitgeefster belt. Ze heeft een prachtig plan. Iets met een boek, dat snel af moet. Ik luister naar haar en interview ondertussen op een andere lijn een bekende Nederlander die op de fiets op weg is naar haar nagelstyliste en niet goed verstaanbaar is. Mijn zoon belt om te vertellen dat hij niet thuis komt, omdat hij met vrienden in de stad eet, en of ik zijn hond wil uitlaten. Op de redactie heeft inmiddels iedereen zich ziek of zwanger gemeld en is iedereen die nog niet ziek of zwanger is, vast vroeg naar huis. ‘Ik ben vandaag acht redacteuren,’ zeg ik tegen mijn uitgeefster. ‘En een kinderboekenschrijfster.’ Op hetzelfde moment mailt een andere uitgever, met de vraag of ik het net ingeleverde boek binnen een week wil corrigeren. En daar komt alweer de volgende mail, van iemand van de televisie, die me graag wil filmen als ik maandag iets ga doen op een school. Iets wat ik al eerder had toegezegd, toen ik nog niet wist dat ik acht redacteuren was, en kinderboekenschrijver. ‘Zullen we morgen met de kinderen zelf pasta maken?’ appt mijn man. ‘Ja, leuk, stof jij de pastamachine vast af,’ antwoord ik. ‘Hallo, ben je er nog?’ vraagt mijn uitgeefster. Ik hoor de bekende Nederlander op de achtergrond antwoord geven op mijn vragen. Ik tik ze met mijn linkerhand op. Mijn gedachten dwalen af naar het Elvis Watt-boek dat ik thuis aan het schrijven ben. En naar het boek dat ik tijdens de kinderboekenweek in de winkel wil hebben. Pling, daar is een mail van mijn man. Wij zorgen in de weekenden samen voor zijn kinderen en door de week samen voor de mijne. We noemen ze alle vier de onze, maar daar denkt die andere moeder anders over. En dus stuurt ze lange brieven over wat we allemaal fout doen op ‘ons eiland’. Ze wil graag dat ik naar de andere kant van het land reis om met haar te lunchen. Ik lees de brieven met een half oog, terwijl ik de bekende Nederlander op de fiets interview, drie boeken schrijf, acht redacteuren vervang en mijn uitgeefster toezeg dat ik binnen twee maanden een heel nieuw boek schrijf. ‘Je kunt je leven niet in de lengte verlengen, dus doe ik het in de breedte,’ zeg ik tegen haar. Aan de andere kant blijft het even stil, dan zegt ze: ‘Ik raad jou aan om het in de lengte EN de breedte te verlengen.’ Thuis hang ik op de bank met mijn zoon en drink een kopje thee. Ik heb een man, twee huizen, vier kinderen en een hond. Ik ben acht redacteuren en toch heb ik altijd het idee dat de tijd van mij is. In Psychologie Magazine van deze maand staat er een verhaal over: druk zijn is voor sukkels, heet het. Drie maal raden wie het heeft geschreven.

Ecce homo

Het allergrappigste aan mijn grootouders is dat ze twee van hun kinderen Cock en Dick noemden. En nog grappiger was dat die twee in de jaren vijftig naar Canada emigreerden. Over geen van beiden gaat dit verhaal.

Vandaag las ik een interview met oud-politicus Tofik Dibi in de Volkskrant. Hij kwam uit de kast. Zijn verhaal raakte me. Hoe verdrietig moet het zijn om niet aan de buitenwereld te kunnen laten zien dat je als man van mannen houdt. Ik ben opgegroeid met twee ooms die allebei homo waren. Oom Dick was onzichtbaar in mijn leven, maar mijn oom Pim kwam elk jaar een paar weken lang bij mijn ouders logeren. Hij woonde in Parijs met zijn Marokkaanse vriend Machid. Ik genoot van hun verhalen over hun leven, deels in Parijs, deels in Marrakesh. En wat ik me vooral herinnerde is de heerlijke lucht die in huis hing als zij er waren. After shaves uit andere landen. Mijn vader ging met Machid naar de markt en samen kookten ze de lekkerste couscous ooit. Die twee prachtige, wereldse ooms van mij pasten zo goed in ons sprankelende gezin. En op een dag kwam mijn oom zonder zijn man. Waar hij was, vroegen mijn vader. Mijn oom Pim haalde zijn schouders op. Machid was in Parijs getrouwd met een vrouw die Sarah heette. Ik was vijftien en begreep er niets van. Hij was toch homo, hij hield toch van mijn oom? Ze woonden toch samen? Volgens mijn oom kon het niet anders. In Marokko had niemand er moeilijk over gedaan als ze hand in hand liepen. Dat was voor mannen heel gewoon, zei hij. Maar uiteindelijk wilde de familie van Machid dat hij trouwde met een vrouw. Er moesten kinderen komen. Hij was nu wel lang genoeg homo geweest, vond hij. Ik geloof niet dat ik begreep hoe droevig het was voor mijn oom. Wat ik wel weet is dat ik diep verontwaardigd was. Ik wist ook niet goed wat ik nu van mijn Marokkaanse oom moest vinden. Nu ik het interview met Tofi Dibi lees, denk ik voor het eerst weer aan Machid en begrijp ik hoe groot zijn offer moet zijn geweest. Gelukkig ben ik kinderboekenschrijver en ga ik ooit een boek schrijven waarin ik Pim en Machid weer bij elkaar laat komen. Twee oude mannen die van elkaar hielden en elkaar pas weer vonden toen hun nichtje veertig jaar later kinderboekenschrijver werd.

Bloggen voor bejaarden

Bloggen is een beetje voor bejaarden. Ik zou eigenlijk moeten Instagrammen. Zelfs Twitter is al op zijn retour. Gelukkig ben ik nog wel heel hip en modern vergeleken bij de gemeente Amsterdam. Wie tijd over heeft, moet het volgende doen: splits je huis. Maakt niet uit hoe groot het is, maar hak het in stukken. Laat er tekeningen van maken, verbouw het voor een ton, zet er een nieuw dak op, laat het keuren op asbest, vervang de elektra, laat de buiten- en de binnenkant verven en vraag vergunningen aan voor elke deurklink die je wilt verplaatsen. Tot zo ver is het eenvoudig. Laat daarna een rapport maken van het fundament. Nee, begin daarmee, zodat je daar snel mee klaar bent. Betaal een flink bedrag aan een gerenommeerd bedrijf en laat ze in de archieven duiken, foto’s maken, lintmetingen doen, putten graven en daar een vuistdik rapport van maken. Ga met dat rapport naar de gemeente Amsterdam en dien het rapport in. Zorg dat er minstens drie mensen zijn die het rapport heen en weer schuiven, maar nooit op de juiste manier. Zorg dat persoon A het mailt naar persoon B, die het vervolgens niet leest omdat het rapport per mail is binnen gekomen en niet via de interne post. Zorg dat A en B niet met elkaar spreken. Vraag vervolgens persoon C om het uit te zoeken. Laat C naar B bellen, die vervolgens naar A mailt, wat niet mag, want dat had per gelukstelegram gemoeten. Vraag A om een vervanger in te huren en laten we die D noemen. Stuur het rapport naar D, vraag of die het naar B wil sturen, maar verklap niet dat dat per interne post moet, zodat B het wel leest, maar niet mag reageren. Vraag C waar A is. Laat C daarna B bellen, want wie A belt moet ook B bellen. Wacht daarna een tijdje en laat een nieuw rapport maken. Laat D ziek worden. Laat B van baan verwisselen. En schrijf daar dan een blogje over. Ik geef toe, het komt ouderwets over. Dat ga ik dan nu even twitteren.

Verlangen

la

Een paar zomers geleden wandelde ik met mijn man door Los Angeles. In een zijstraat ontdekten we een rode muur met Chinese tekens. Veel mooier dan het Hollywood-bord vonden wij. En dus fotografeerden we elkaar voor die muur. Het was augustus en we waren ontzettend gelukkig. We wisten niet of we verliefd naar elkaar moesten kijken of elkaar moesten fotograferen en dus deden we het allebei. We gebruikten de foto voor de Chinese muur allebei als profielfoto op Facebook en nooit vroegen we ons af wat die letters betekenden. Tot ik op een dag een Chinese vrouw sprak die vertelde dat ze mijn foto zo leuk vond. Er blijkt ‘desire’ boven mijn hoofd te staan, verlangen. Ik haalde opgelucht adem, want er had ook ‘poepchinees’ kunnen staan.

Niet met vreemde piraten meegaan

2009australiepoolenmetandy

Daar staat ze, mijn kleuter van zes met een paspoort in haar hand, op weg naar Engeland, helemaal alleen. Ze wiebelt van haar ene voet op haar andere en kijkt op haar telefoon. ‘Wat ben je groot geworden,’ wil ik zeggen. Het was nog maar gisteren dat ze zo klein was. Ze is hetzelfde meisje, in mijn ogen dan. Ik kijk naar haar zoals ik mijn moeder soms naar mij zie kijken. In de ogen van je moeder blijf je gewoon eeuwig zes. ‘Kijk mam, zonder handen!’

Mijn dochter gaat studeren. Vijf Engelse universiteiten willen haar wel hebben. Vandaag neemt ze het vliegtuig naar Bristol. Stad van piraten. Zwartbaard is er geboren. Er schijnen ook bandjes vandaan te komen. Maar uit elke Engelse stad komen bandjes. Bristol is geloof ik Portishead. Meer weet ik niet over de stad. Behalve dat mijn meisje er vandaag naartoe is. ‘Pas je goed op?’ vraag ik. ‘Goed uitkijken bij het oversteken, zeker in Engeland. En niet met vreemde piraten meegaan.’ Ze lacht, dan kijkt ze op haar telefoon en lacht harder. Het leven wacht, ze moet opschieten.

Vechtscheiding

In Quest Psychologie verscheen vandaag een artikel van mijn hand over vechtscheidingen. Sinds de invoering van het ouderschapsplan zes jaar geleden is het aantal vechtscheidingen met vijftien procent gestegen. In het artikel vraag ik me af hoe dat kan. Zelf droeg ik een klein beetje bij aan het verplicht stellen van dat ouderschapsplan. In 2004 schreef ik namelijk samen met mijn moeder – we zijn allebei psycholoog – een boek voor grootouders van wie de volwassen kinderen gingen scheiden. Mijn moeder, kinderpsycholoog, had namelijk in haar praktijk ontdekt dat grootouders aan vaderskant opvallend vaak het contact met hun kleinkinderen verloren. En hoewel er boeken waren over hoe je een hamster door een hoepel kon laten springen of kon aquarellen met je billen, bestond er geen boek voor deze (groot)ouders. Naar aanleiding van dat boek werden we gevraagd om mee te werken aan een voorstel voor de minister om het ouderschapsplan voortaan verplicht te stellen voor scheidende ouders met minderjarige kinderen. Zo geschiedde en sinds de invoering van dat plan vechten ouders elkaar dus de tent uit.

In de tijd dat mijn moeder en ik dat boek schreven, verloor een groot deel van de gescheiden vaders het contact met zijn kinderen. In de helft van de scheidingen bleven de kinderen in het eerste jaar na de scheiding niet één keer bij hun vader overnachten. Wat ik in de tijd dat ik dat boek schreef niet had kunnen voorzien, was dat ik zelf ook zou scheiden. Voordeel was nu wel dat ik in mijn eigen boek kon lezen hoe ik dat moest aanpakken. De vader van mijn kinderen en ik hebben vast hier en daar wat steken laten vallen, maar over het algemeen denk ik dat we allebei en ook onze twee kinderen, tevreden zijn met hoe we met z’n allen door één deur kunnen. Twee deuren om precies te zijn, want onze huizen staan gezellig boven op elkaar en we delen twee voordeuren, samen met mijn nieuwe man. Die nieuwe man heeft ook twee kinderen. Twee kinderen die bijna elk weekend bij ons zijn. Mijn zoon geeft ze pianoles, mijn dochter past op als wij uit eten gaan, ik hang de slingers op wanneer ze jarig zijn, leer ze Engels, lees ze voor, help ze met hun boekverslagen en ben in de vier jaar dat ze bij ons zijn van ze gaan houden. Ik voel me vaak moeder van een reusachtig gezin met al die mannen en kinderen om me heen. Toch een beetje Yiddish, zou mijn vader zeggen.

Maar nu, de vechtscheiding. Mijn man en de moeder van zijn kinderen, kunnen weer niet zo goed door één deur. Gelukkig beperkt hun omgang zich tot de zondagmiddag waarop hun moeder ze komt ophalen en we allemaal onhandig jassen en kaplaarzen uitwisselen. De kinderen zitten vaak onder de modder omdat ze bij ons echte buitenkinderen zijn. Ze halen mottenballen uit elkaar, stampen door de plassen, vissen naar kikkerdril en gaan mee op lange wandeltochten. Een televisie hebben we niet, de computer mag ook niet aan en daarmee hebben we onze eigen weekend-bubble gemaakt. We zijn een Unox-reclame met een vleugje Merci.

En dan Jeugdzorg. Op een dag viel er een brief in de bus. De zondagmoeder had op school verteld dat ze de communicatie over de kinderen even niet aan kon en dat hun vader dat voortaan moest doen. Zij gooide de handdoek in de ring, schreef ze. De school had er melding van gemaakt bij het meldpunt Kindermishandeling en daarna volgden maanden van ontmoetingen en slecht geschreven mails tussen alle partijen. Ik hield me er zo veel mogelijk van afzijdig en geloofde dat het wel goed zou komen allemaal. Per slot van rekening was dat hele ouderschapsplan waar ik zelf zo’n voorstander van was geweest er niet voor niks. Wat wel opviel was dat er op de zondagen in de gang steeds meer werd gezwegen. Zo veel, dat er vandaag een meneer van Jeugdzorg belde die vertelde dat mijn man zijn kinderen voortaan nog maar één keer per maand te zien zou krijgen. Waarom dat precies beter was voor de kinderen, kon hij niet zeggen. En misschien heeft hij het wel gezegd, maar is mijn man het door de verbazing vergeten. Mooi is wel dat ik indertijd mee heb geholpen aan de kleine lettertjes van dat ouderschapsplan. Eenmaal opgesteld is het alleen nog aan te passen door tussenkomst van de Kinderrechter. Ik kan me niet voorstellen dat er één rechter is die in zo’n geval zegt dat het beter is voor kinderen om hun vader minder te zien wanneer diezelfde kinderen er zo gelukkig zijn.

Maar goed, zorgen zijn voor later zorg. Eerst maar eens dat verhaal herlezen in Psychologie Quest.