Energielabel van een gezonken woonboot in de winter

De man met wie ik was en ik woonden als studenten in zijn woonboot. Eigenlijk was het meer een kartonnen bak met een dakje erop, maar wij vonden het een echt huis. Er was geen verwarming, behalve een oliekachel en het eerste jaar dat we er woonden hingen er ijspegels aan onze neuzen, ook in de zomer. Het maakte niet uit of de ramen open of dicht stonden, de wind blies er van alle kanten doorheen. We droegen zeven truien over elkaar die zijn oma voor ons breide in grappige jaren tachtig-kleuren. Het leven was ijskoud, maar goed.

Inmiddels wonen we in een huis in wat makelaars de mooiste straat van het pittoreske Watergraafsmeer noemen. En in die straat wonen we ook nog eens in een van de mooiste huizen. We hebben het huis aan alle kanten dichtgemaakt zodat de wind er nergens doorheen kan. Extra dikke muren, dubbele beglazing en een dak van thermisch piepschuim. Binnen zorgen energiezuinige cv-ketels en geïsoleerde vloeren voor warmte. Het leven is heerlijk warm. We zijn inmiddels gescheiden, dat wel.

Het huis kreeg deze week een energielabel, een G. De man met wie ik was schreef: “En dat is niet de G van Groen of Goed maar van de slechtste die er is. We staan op het zelfde niveau als een gezonken woonboot in de winter zeg maar.” Ik beloofde hem me in de materie te verdiepen, maar op de officiële site van de Rijksoverheid – energielabelvoorwoningen.nl vind ik de volgende tekst:

Een energielabel geeft de mate van energiezuinigheid van uw woning aan. Heeft u label G dan is uw woning zeer energiezuinig, heeft u label A dan is uw woning behoorlijk energiezuinig.

Nu ben ik vreselijk benieuwd naar de labels B t/m F, waarschijnlijk hebben die de omschrijving nogal zuinig, best wel zuinig, erg zuinig en redelijk zuinig. Ik denk dat de tekstschrijver die hier aan het werk is geweest in een goede bui was. Wanneer je gelukkig bent is energiezuinig een relatief begrip.

Kinderboekenweek 2014

Het is kinderboekenweek, ik reis het hele land door. Ik zie kinderen in Friesland en kinderen in Rotterdam. Ik zie juffen met hun rug naar me toe zitten omdat ze liever hun Facebook bekijken en ik zie meesters die lachen om mijn grapjes. Maar vooral zie ik lezers. Honderden, nee, duizenden lezers. En dan weet ik weer waarom ik kinderboekenschrijver ben geworden.

Basisschool de Octopus, Swalmen (Limburg)

swalmen2014

BaBasisschool de Octopus Swalmen (

Ik zwaai dag…

Afbeelding

‘Wanneer schrijft u?’ Dat vragen kinderen wanneer ik voor de klas sta. Ik lieg altijd en zeg dat ik schrijf als mijn kinderen op school zitten. Ik lieg omdat ze het niet begrijpen wanneer ik zeg dat ik zodra zij in bed liggen ik nog door ga met schrijven, gewoon tot een uur ‘s nachts. En dat er ook nauwelijks dagen zijn waarop ik niet werk. Ik ben er heel wat vrienden door kwijtgeraakt, maar om drie boeken per jaar te schrijven, kan ik niet anders dan hard werken en mijn vrienden verwaarlozen. Voor Margriet schreef ik dit jaar een verhaal met de titel: ‘waarom ik meer aan mijn werk denk dan aan mijn kind’. Toen ik het mijn dochter liet lezen, keek ze verontwaardigd op en zei: ‘maar zo erg verwaarloos je ons niet!’ Het was lief dat ze dat zei en ik doe ook echt mijn best om de liefsten om me heen het idee te geven dat ik er altijd voor hen ben. Tussen negen uur ‘s avonds en een uur ‘s nachts bijvoorbeeld kunnen ze me altijd bellen.

Eind juni houden de scholen op en klap ik mijn laptop dicht. Dat doe ik al zo lang als mijn kinderen op school zitten. Twee maanden lang neem ik geen telefoon op, beantwoord geen mail en kijk ik niet een keer op Facebook. De leukste opdrachten krijg ik juist dan aangeboden. Een persreis naar de Maladiven, een hoofdartikel over kinderboeken, de herdruk van een kookboek dat ik al klaar heb liggen, ik zeg overal nee tegen. Sterker, ik zeg helemaal niets. Mijn computer en telefoon staan uit en ik ga twee maanden met mijn kinderen in de tuin zitten, naar Italië, Vlieland of naar ons buitenhuis in de Achterhoek. Mijn collega’s bij Psychologie Magazine hadden de grootste moeite om hun jaloezie te verbergen, maar lief als ze altijd zijn wensten ze me toch elk jaar weer een fijne vakantie twee maanden, toe maar, zag ik ze denken).

Hoe hard ik ook werk, al die boeken en projecten die zo belangrijk leken zal ik vergeten. En al die mensen die van alles van me wilden ook. Maar wat ik nooit vergeet is de dag dat ik met mijn dochter en haar vrienden naar het buitenhuis rijd, ze zie stralen en zie hoe ze niet eens doorhebben dat ik ook nog in de auto zit. Het maakt me niet uit of de zon schijnt of dat de regen de hele zomer met bakken uit de lucht komt vallen. Dit is het leven en mooier dan dit wordt het niet, dus geniet ik er van, twee maanden lang. Ik zwaai dag.

 

Hotzeflotzewinnaars

Dolblij ben ik want twee van mijn boeken – Elvis Watt Miljonair en Heartbreak Hotel door IzzyLove zijn genomineerd voor de Prijs van de Nederlandse Kinderjury. ‘Leuk,’ zeggen mijn vrienden, ‘voorspelbaar’, zeggen mijn vijanden. Maar waaróm zijn mijn boeken genomineerd? En waarom zijn de boeken van Niki Smit, Maren Stoffels en Janneke Schotveld dat ook? Omdat we Hotzeflotzewinnars zijn, daarom. Wat niemand weet, is dat er een geheim genootschap van Hotzeflotzewinnaars bestaat. De Hotze de Roos-prijs is een prijs die schoolkinderen uit Zaanstad toekennen aan het kinderboek dat zij het leukste debuut vinden. De winnaar weet vooraf niet eens dat hij of zij is genomineerd en wordt dan op een dag verrast met een cheque van 4.500 euro en een stevige handdruk van een Zaanse wethouder. Sinds ik die debuutprijs vijf jaar geleden won, lacht het boekengeluk mij toe. Dit jaar staan er maar liefst vier Hotzeflotzewinnaars op de Tiplijst van de Kinderjury: Niki Smit 2006), Maren Stoffels (2007), Janneke Schotveld (2008) en ik  (2009). Dat Tosca Menten ‘m nooit heeft gewonnen is een raadsel, want ze heeft alle kenmerken van een Hotzeflotzewinnaar. Andere winnaars zijn Claudia Jong en Jozua Douglas. Bijna-winnaars waren Jaap Robben en Simon van der Geest. Tien jaar geleden had nog niemand van ons gehoord. Onze boeken verschenen tussen honderden andere boeken, maar op de een of andere reden eindigden wij allemaal hoog in die ene wonderlijke debuutprijsdinges. Niet omdat het altijd dezelfde waren die wonnen, niet omdat het zo voorspelbaar was dat we wonnen, niet omdat de kinderen stemden zonder onze boeken gelezen te hebben, nee gewoon omdat de kinderen van Zaanstad onze boeken leuk vonden. Wat Florida is voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen is Zaanstad voor de Griffels en de Kinderjury. Ik raad daarom iedereen aan om Daiënne Merkies goed in de gaten te houden de komende jaren, want zij won drie dagen geleden de Hotze de Roos-prijs voor Een vampier van niks.

Foto: Manon Sikkel, Janneke Schotveld en een Zaanse wethouder (2008)

hotze

Een bloedende man in de straat

Daar stond ze voor me met een wit gezicht en trillende lip, mijn dochter. ‘Er was een man…’ stamelde ze. Ik had weinig tijd nodig om beelden voor me te zien van mannen die haar op straat van de fiets hadden getrokken, haar achterna hadden gerend of stenen naar haar lieve hoofdje hadden gegooid. Als moeder houd ik al zeventien jaar rekening met het allerergste opdat haar niets kan overkomen. Maar nu was er dus een man. ‘Ik pakte zijn arm,’ zei ze. In mijn meest gruwelijke voorstellingsvermogen was hij het juist die haar arm pakte, niet andersom. Hij was dronken, hij stond op straat, hij had met rode verf I Love You op de muur geschilderd en daarna had hij zijn arm open gesneden waardoor het bloed er als een fonteintje uit spoot. Mijn dochter was van haar fiets gestapt en had zijn slagader dicht gedrukt. Tien minuten lang, tot hij langzaam wegzakte, en vlak voor de ambulance arriveerde. Een uur later zat ze daar aan haar bureau Latijn te leren, want midden in haar eindexamenweek. Ik vertelde haar dat de adrenaline ervoor zorgde dat ze alles nog beter in zich zou opnemen dan gewoonlijk. Grote kans dus dat ze gewoon slaagt met een negen voor Latijn. In dat geval ga ik die bloedende man in de straat een bloemetje brengen om hem te bedanken. Zo niet, dan fiets ik langs en snij z’n andere slagader ook door. Over twee weken uitslag.

Zeven uitgevers, twee mannen, vier kinderen en een broer

bussummanon

Zeven jaar geleden begon ik met het schrijven van dit blog. Het leverde me fans op en trouwe lezers en al schrijvend leerde ik nog beter schrijven. Inmiddels zijn er zeven uitgevers, twee mannen, vier kinderen en een broer waar ik bijna dagelijks aan moet denken. Dit jaar verschijnen er zeven boeken waar mijn naam op staat, en dan tel ik de herdrukken nog niet eens mee. Geen wonder dat ik de laatste tijd bijna geen blogje meer heb geschreven. En als ik al tijd had, dan was ik bezig met artikelen schrijven voor Psychologie Magazine, Quest of Margriet, gaf ik les op de schrijversvakschool, bezocht ik scholen of leerde ik de hamsters van mijn zoon door een hoepel springen. En dan mag ik het nog niet eens over dat geheime project hebben waar ik maanden mee zoet was. Er zijn ook vrouwen die niet werken, maar die vrouw ben ik dus niet. Wel heb ik me voorgenomen om wat vaker te bloggen, al vind ik het woord nu alweer wat ouderwets klinken. Later ga ik daar dan weer een boek van maken: toen oma nog blogde.

Mijn uitgeefster en ik

Mijn uitgeefster had een tafel gereserveerd bij een restaurant dat zo gewild is, dat ze een wachtlijst hebben tot eind 2018. Zelf heb ik geen idee waarom het zo populair is, behalve dat het eten er goddelijk lekker is. Maar goed, toen ik er aankwam, was mijn uitgeefster er niet. Toen ik vroeg aan welk tafeltje ik kon gaan zitten, bleek dat haar naam niet eens op de reserveringslijst stond. ‘We hebben wel een reservering voor Mai Spijkers,’ sprak de serveerster. ‘Dat is ook een uitgever,’ zei ze er achteraan. Omdat ik toch ergens wilde zitten, nam ik zijn reservering over. Pas later hoorde ik dat hij tot eind 2018 elke avond een tafel heeft gereserveerd voor je weet maar nooit. Misschien doet hij dat wel in elk restaurant van Amsterdam. Het enige wat je hoeft te doen om in de meest gewilde restaurants van de stad te eten is een hoed opzetten, een beetje door je knieën zakken, bretels om en zeggen dat je een tafel hebt gereserveerd. In dit geval was dat niet nodig. Ik zat. ‘Waarom schrijf je nooit meer een blogje over mij?’ vroeg mijn uitgeefster toen we later die avond toch nog samen aan tafel zaten. ‘Omdat jij graag wil dat ik twee kinderboeken per jaar schrijf,’ antwoordde ik. Ze keek een beetje beteuterd. Vroeger schreef ik namelijk altijd over haar. Daarom bij deze een blogje voor mijn uitgevers, voor Thille, voor Mai (en ook voor die andere zeven).