Maandelijks archief: maart 2008

Wij willen kaviaar!

gli-gattopardi.jpg

Mijn dochter, Maria, zocht een middelbare school en had besloten dat ze mijn hulp daar niet echt bij nodig had. Ze had de scholengids van Amsterdam nauwkeurig bestudeerd en had een lijst met haar twintig favoriete scholen samengesteld. Toen ik licht protesteerde omdat ik het wat veel vond, schudde ze met haar hoofd en zei dat ik niet mee hoefde naar de open dagen als ik niet wilde. Nadat ik mijn moederlijk gezag had laten gelden, werd de lijst gelukkig teruggebracht tot tien scholen. En zo brachten mijn man, mijn dochter en ik tien winterse zaterdagen door in scheikundelokaaltjes, gymzalen vol apenkooiende kinderen en luisterden wij in overvolle aula’s naar toespraken van directeuren, directrices en clavigers. Helaas bleek de school waar mijn dochter zich wilde inschrijven een lange wachtlijst te hebben. En hoewel haar kans nog steeds 1 op 5,6 is om uitgeloot te worden, ga ik er gemakshalve van uit dat haar zoekproject naar de leukste school door de voorzienigheid beloond wordt.Andere ouders zijn daar minder van overtuigd en verenigden zich in een samenscholing van bezorgde ouders: www.eengymnasiumvooriedereen.nl. Om je weet maar nooit waar het goed voor is, meldde ook ik me aan op de site. Een klik en ik was lid van de ouders die een gymnasium eisten voor hun kind. Nu mijn naam op die lijst staat, ben ik opeens een beetje bang dat mijn naam straks per ongeluk in een petitie terecht komt waarin we behalve om een school voor onze kinderen ook vragen om meer kaviaar, gratis caddy’s, ruimere parkeerplekken voor onze fourwheeldrives, snellere bediening in de restaurants en betere zitplaatsen in het Concertgebouw. Hoewel daar eigenlijk ook niks mis mee is.

Cursus spreken in het openbaar

mypicture.jpg

Of ik Arthur Japin wilde interviewen, vroeg mijn redactrice. Ik had nog nooit iets van Japin gelezen, maar dat mocht de pret niet drukken. Trouwens, dat was niet helemaal waar want ik had een keer een kort verhaal van hem gelezen.
Japin gaf een lezing op de bovenste etage van de hoogste toren van Amsterdam. In een glazen zaaltje op de achthonderdste verdieping had ik een fenomenaal uitzicht over Amsterdam. ‘Ik weet niet of ik kan concurreren met het uitzicht,’ sprak Japin tegen de zaal met lezers, die net als ik uit het raam staarden. Hij stelde voor om de gordijnen dicht te trekken zodat we alleen hem zouden zien en niet de wolken en de vogels. Er klonk stevig gebrom in de zaal, gevolgd door heusch protest. De schrijver ging daarna de strijd aan met het vergezicht en won deze glorieus. Hij had zijn lezing van drie kwartier namelijk uit het hoofd geleerd. In eerste instantie dacht ik dat hij alles oplas van een onzichtbare autocue, of dat er een souffleuse onder zijn spreektafeltje verstopt was, maar hij droeg voor uit eigen werk, helemaal uit het blote hoofd.Vandaag moest ik aan hem denken toen ik in een zaal met wildvreemde mensen iets stond te vertellen over het boek Ik mis alleen de Hema. Ik vertelde was anekdotes en waarschuwde mijn toehoorders voor de gevaren van een huis in het buitenland. Lekkende daken, ontploffende cv-ketels, overlopende septic tanks en nog meer gekkigheid die ik ter plekke verzon. Ik waarschuwde ze ook voor de strijd die later zou losbarsten als hun kinderen het buitenhuis in de erfenis zouden vinden en elkaar naar het leven zouden staan omdat de een het huis zou willen houden en de ander het juist zou willen verkopen. ‘Maar’, zo stelde ik mijn angstig kijkend publiek gerust, ‘daar merkt u zelf niks meer van want dan bent u al lang dood.’ Op de eerste rij zag ik een echtpaar afkeurend kijken. Gelukkig zat er op de achterste rij een lachende man tot wie ik mij toen maar richtte. ‘U moet ook niet denken dat u later, als de kinderen het huis uit zijn, u lekker rustig kunt overwinteren,’ zei ik tegen de lachende man. ‘Dan zit u daar in uw huis op het Portugese platteland en na een week bent u uitgepraat met uw vrouw. Na twee weken komen er dan gelukkig wat vrienden langs, maar daarna ziet u niemand meer. En u verveelt zich dood. Na een half jaar wordt u zo gek van uw vrouw, dat u haar de hersens in slaat. En dan zit u daar in uw leuke buitenhuis, helemaal alleen.’ Nu keek ook de lachende man nogal ernstig. Snel probeerde ik een paar zinnen uit mijn boek te citeren, als ware ik Japin. Helaas was ik niet Japin, want ik kwam niet verder dan de vijf woorden ‘ik mis alleen de Hema’.
Om de stemming er weer in te krijgen, wees ik naar de levensgrote foto van het buitenhuis die de vorige spreker had laten hangen. ‘U denkt wel dat u een huis koopt in het buitenland,’ zei ik dreigend, ‘maar zo’n huis van drie eeuwen oud is eigenlijk van het dorp. Daar zijn mensen geboren, getrouwd, gestorven, wie weet is er zelfs wel eens iemand vermoord. Dat huis daar zit een geschiedenis aan. En dan komt u als buitenlander, met in uw kielzog een bus met Polen om de boel op te knappen en dan denkt u dat het opeens uw huis is.’ Mijn toehoorders keken mij met grote ogen aan. Ik keek op mijn horloge. Er was een half uur voorbij en het was tijd om weer te gaan. ‘Zijn er nog vragen?’ vroeg ik. Die waren er niet.
Na afloop kwam de vrouw die mij had uitgenodigd voor de lezing naar me toe. Of ik morgen weer wilde komen praten. Dat wilde ik wel. En dan leer ik voor de zekerheid mijn boek even uit mijn hoofd zodat ik zeker weet dat er niks mis kan gaan.

Fitna the movie

Hoe mijn bus ontplofte in Enschede

bus.jpg

Acht jaar geleden was ik de trotse bezitster van een bus. Een witte bus van het merk Hyundai. Mijn buurman, en vriend, Willem had mij en mijn man overgehaald om samen met hem een bus te kopen. Willem had de bus alleen maar nodig als hij op toernee ging met zijn band, de rest van de tijd konden wij er in rondrijden. Een bus is altijd leuk, dacht ik. Dat was ook zo. De bus was heel leuk om in rond te rijden als je niks beters te doen had. En als ik wel wat beters te doen had en de bus nodig had om naar een opdrachtgever ver weg te rijden bijvoorbeeld, dan was de bus op toernee. Na een paar grappige aanrijdinkjes omdat we geen dodehoekspiegel hadden en na die ene keer dat we vergaten olie bij te vullen en we de motor opbliezen en we bij Greenwheels een heel klein peugeotje met trekhaak hadden gehuurd om de bus naar Brabant te slepen om daar een tweedehands motorblok te kopen, besloten we de bus te verkopen. Met z’n allen maakten we nog een keer een tochtje in de bus, vergaten foto’s van ons laatste uitstapje te maken, en zetten de bus op Marktplaats. Een week later werd ik gebeld door een man uit Enschede. Hij wilde wel een proefritje maken, maar omdat ik hem de bus niet zomaar wilde meegeven, ging ik er voor de zekerheid naast zitten. Ik was inmiddels negeneneenhalve maand zwanger en leefde in de veronderstelling dat ik onschendbaar was. Gelukkig was ik dat ook, maar de bus niet. De man van de proefrit gaf mij geld en reed nog dezelfde dag naar Enschede. Hij had er altijd parkeerplek, zo vertelde hij, want hij woonde aan de vuurwerkfabriek. Daar kon je overal parkeren. Het detail van waar hij woonde zou mij zeker zijn ontschoten als ik niet de volgende dag naar het Songfestival keek. Midden in de uitzending kwam er opeens een gek nieuwsbericht op het scherm over de vuurwerkfabriek van Enschede die was ontploft. In mijn herinnering zag ik mensen over straat rennen, overal vuurwerk, en daar midden op straat stond onze bus. In mijn herinnering zag ik de bus even later ook nog door de lucht vliegen en ontploffen, maar ik kan dat ook verzonnen hebben.
En dit alles schoot mij te binnen toen ik eigenlijk wilde schrijven dat mijn vriend Willem en zijn band June’s High op 18 mei een concert geven in de Melkweg ter ere van hun nieuwe cd.

Second Home Beurs

afb007.jpg  foto-230.jpg foto-231.jpg foto-247.jpgfoto-606.jpg bois-pille2.jpg

Lang geleden, op een woensdag, werd ik gebeld door een mevrouw die vroeg of ik een lezing wilde geven op de Second Home Beurs. Nog voor ze was uitgesproken, had ik al ja gezegd. Waarom weet ik niet meer. Waarschijnlijk omdat ik zo dol ben op de Jaarbeurshallen in Utrecht. Helaas was ik het daarna vergeten, maar gelukkig belde er vandaag een journalist van NRC Handelsblad om mij uit te horen over de wereld van de tweede huizen. Ik ging er voor zitten en kwebbelde een half uur over de voor- en nadelen van een tweede huis. Ik weet daar alles vanaf, want bijna al mijn vrienden en familieleden hebben een tweede huis in het buitenland. Niemand anders dan ik die al die huizen zo goed kan vergelijken. Ik zie van dichtbij hoe veel moeite het kost om een zwembad te onderhouden, een wijnkelder aan te vullen, een goede loodgieter te vinden, hout te hakken voor de open haard, maar ook hoe leuk het is als er onverwachts leuke gasten uit Nederland langs komen. Schrijvers bijvoorbeeld, die met hun laptop onder de arm langskomen, zich installeren onder de palmboom, af en toe een duik nemen in het zwembad, de wijnkelder leeg drinken, ‘s avonds een vuurtje stoken en die dan weer weg gaan, maar altijd om terug te komen.
Of ik nog een tip had voor mensen die een tweede huis gingen kopen, vroeg de journalist. Dat had ik. Een huis kopen met veel logeerkamers en mij uitnodigen. Ik ben heel leuk in de omgang en altijd dankbaar voor zo veel gastvrijheid.

Hoe je kunt bloggen als je dood bent

bloggennadedood.jpg

Mijn buurvrouw volgt een cursus: hoe je kunt bloggen als je dood bent. Ze is er nog niet heel ver mee, want ze heeft de materie ‘bloggen als je nog leeft’ nog niet helemaal in de vingers. Gelukkig kon ze me wel al de basistechnieken van bloggen na de dood uitleggen. Het enige wat je hoeft te doen is wat knoeien met de publicatiedata. Zo schrijf ik dit vandaag, maar verschijnt het pas morgen op internet, als ik al lang weg ben om pasen te vieren bij mijn moeder in haar Franse buitenhuis. Ik ben dan wel niet dood (hoop ik), maar wel weg. Binnenkort meer over de andere cursussen: bloggen terwijl je slaapt, bloggen terwijl je met je vrinden in café de Druif zit en heel veel biertjes en wodka drinkt, bloggen terwijl je een lange wandeling maakt door de Achterhoek met een vijfgangendiner na in hotel de gouden karper en natuurlijk de cursus: bloggen terwijl je een beetje verveeld voor je uit kijkt en je nagels vijlt.

Boeken over oorlog en god

schreurs-en-de-groot.jpg

Ik ben er nog niet binnen geweest, maar van horen zeggen weet ik dat er sinds gisteren een nieuwe boekhandel in Amsterdam is: Schreurs & De Groot. Ik maak graag reclame voor ze want jaren lang was ik in dienst bij meneer De Groot. Hij had een uitgeverij in Haarlem en ik kwam bij hem solliciteren. Zonder dat ik enige ervaring had in het uitgeversvak, viste hij mijn brief uit een stapel van vierhonderd brieven, waar ik hem nog steeds dankbaar voor ben. Uiteindelijk eindigde ik als een van de laatste twee sollicitanten in de kamer bij meneer de Groot, waar direct duidelijk werd dat ik het ging afleggen tegen de andere kandidaat. Tot het gesprek op Donald Duck kwam en meneer de Groot en ik erachter kwamen dat we een grote liefde voor de eend en zijn neefjes deelden. Hij was er twintig jaar redacteur geweest, ik was al twintig jaar trouw abonnee. Ik was misschien wel de enige vrouw van ver in de twintig die nog steeds een abonnement had op Donald Duck. Dat was niet echt een gespreksonderwerp op feesten en partijen, maar tijdens mijn sollicitatie bleek mijn kinderlijk geheim opeens goed van pas te komen. ‘Je bent aangenomen,’ sprak hij, met een Donald Duck-accent. Ik kneep nog wat harder in het geluksdubbeltje in mijn hand.Jaren later deed meneer de Groot zijn uitgeverij in kinderboeken en strips van de hand en verdween. Tot nu. Want nu heeft hij een boekwinkel op het Weteringcircuit in Amsterdam. Hij verkoopt er boeken over god en boeken over oorlog, en met een beetje geluk ook stapels van ‘De huisarts die liever stukadoor was’, ‘Ik mis alleen de Hema’ en ‘Izzylove’, zodat wij straks allebei een pakhuis vol geld hebben.

De dalai lama en mijn moeder die zaten in een bootje

Jaren geleden had de buurvrouw van de vriend van de moeder van mijn vriendin kaartjes voor een bijeenkomst in Amsterdam waar de Dalai Lama zou spreken. En omdat de buurvrouw niet kon, had ze de kaartjes, a raison van 1500 gulden per stuk, aan haar buurman gegeven. En omdat hij, en zijn vriendin en haar dochter allemaal ook geen tijd hadden, kwamen de kaartjes bij mij terecht. En toen ook ik op het laatste moment geen tijd bleek te hebben, en iedereen die ik kende op vakantie was, gaf ik de kaartjes aan mijn moeder. De titel van de bijeenkomst (East meets West in a changing economy) had haar niet direct aangesproken, maar voor 1500 gulden kreeg je vast een gratis lunch, zo was haar redenering. En dus ging ze samen met een vriendin naar de bijeenkomst in Amsterdam.Hard werden ze gestraft toen niet de Dalai Lama een toespraak hield, maar alle economen en financiële experts die er in het westen en het oosten te vinden waren. Na zeven uur doodsaaie praatjes in gebroken Engels, mochten alle gasten naar buiten, waar er een rondvaartboot klaar lag. Mijn moeder rende naar buiten en stapte in de eerste rondvaartboot die er lag. Ze plofte neer op de voorste bank en prijsde zichzelf gelukkig met zo’n mooi plekje vooraan. Een paar minuten later kwamen de andere gasten de boot in, de Dalai Lama voorop. Geschrokken keken de mensen om hem heen naar dat kleine blonde vrouwtje in haar zwarte koltrui, maar de Dalai Lama lachte zijn meest beminnelijke lama-lach en ging zonder iets te zeggen zitten. Mijn moeder bij het raam, de lama naast haar. De volgende dag stond er een foto in de krant van een wuivende Dalai lama, die half schuil ging achter mijn moeder. Ook op het achtuurjournaal waren ze te zien, mijn moeder en de Dalai Lama, maar omdat iedereen die ze kende op vakantie was, had niemand het gezien. Gelukkig maakt dat niet uit, want het verhaal zelf is ook zonder beeld leuk genoeg. Sindsdien houdt mijn moeder mij altijd op de hoogte van haar Lama-vriend en daarom was ik de eerste die vandaag wist dat hij dreigde met aftreden. Ik hou u op de hoogte…

De truck was zijn leven

funeral.jpeg

‘Mijn beste vriend is dood,’ zei de man die op een terras in de zon stond. Hij had een biertje in elke hand en keek droevig over de Middenweg. ‘Ik wil vandaag wel je beste vriend zijn,’ zei ik, omdat mijn hart brak als ik naar hem keek. Het was zaterdagmiddag en we hadden net onze gemeenschappelijke vriend begraven. Het moest een feest worden, had de man die nu dood was gezegd. Geen gejammer en gehuil, gewoon iets met veel drank en muziek. En dus liepen we over de begraafplaats, dansend op de muziek van zeven blazers en een zanger met een megafoon die prachtige liedjes zong. De stoet ging langs het graf van Majoor Bosshardt, langs Jan Wolkers, Breitner en Nescio. Wie er oog voor had, hoefde zich hier niet te vervelen. Op de terugweg zag ik een grafsteen waar boven de naam stond: ‘de truck was zijn leven’ met daarnaast een bordje van de begraafplaats met de tekst ‘verboden voor auto’s’, bijna net zo leuk als die andere grafsteen waar een heel verkeersongeluk in reliëf op glimmend marmer stond uitgetekend, of het graf van de wielrenner met zijn fiets, in volle lengte op zijn eigen zerk. Het is grappig hoe een liefde voor begraafplaatsen altijd weer van pas komt als je er af en toe weer eens moet zijn.

Non vitae sed scholae discimus

barlaeus.jpg
Of ik het niet erg vind dat mijn dochter straks op een witte elitaire school zit, krijg ik steeds vaker te horen als ik vertel dat ze zich heeft ingeschreven op het Barlaeus Gymnasium. Om van het gezeur af te zijn, loog ik dan dat alle scholen in Amsterdam vol zaten en alleen het Barlaeus nog plek had. Nu duidelijk is dat dat juist andersom is, moet ik iets anders verzinnen om de schoolkeus van mijn dochter goed te praten. ‘Ik heb zelf ook op een gymnasium gezeten,’ mompel ik soms (en zie wat er van mij terecht is gekomen, haha). Ik heb ernorm fijne herinneringen aan boeiende voorstellingen van Medea, in klassieke én moderne uitvoeringen. Ook aan de vier uur durende monoloog van Socrates die de gifbeker dronk (Γνωθι σεαυτον) heb ik niets dan heerlijke herinneringen. Ik genoot ervan om het schoollied uit mijn hoofd te leren, half in het Grieks en half in het Latijn en ik droomde vijf jaar lang van niets anders dan van de culturele reis naar Rome. En nu ik schrijver ben, heb ik zo veel aan mijn klassieke opleiding, dat ik op een avond in het café met mijn uitgeefster de hele avond Seneca kan citeren, quod non. Maar ik dwaal af. Behalve dat ik aan de keukentafel altijd Latijn spreek, heeft mijn dochter ook haar eigen redenen om naar het Barlaeus te gaan. Iets met de liefde, waarover ik op mijn blog natuurlijk in alle talen moet zwijgen. Maar juist vanwege de liefde spreek ik Eros aan, en Himeros, god van het zoet verlangen, en Pothos, god van de begeerte, en heb ik een brief geschreven aan de rector van het Barlaeus: ‘zorg dat mijn dochter wordt toegelaten of ik doop mijn pijlen in gif en schiet ze op u af, waarna ik u achter mijn paard en wagen bind en door de stad rijd.’ Ik wacht nog op antwoord…