Categorie archief: Uncategorized

Pas op voor uw vrouw!

Van alle hobby’s die ik heb, is beleggen mijn favoriet. Ik ben er ook best goed in. Ik lees alles waar de woorden Warren en Buffet in staan, waaronder een biografie van 800 bladzijden. Ik volg de aandelenkoersen en ik heb een rendement dat mijn pensioenbelegger in nog geen tien jaar haalde.

Toen mijn man en ik na jaren besloten om een en-of-rekening te openen, opperde ik om een deel van wat we spaarden te beleggen. Niet op de rekening bij degiro die ik zelf heb, maar op een gemeenschappelijke rekening, gekoppeld aan onze en-of-rekening. Mijn man belde met #degiro en vroeg of we een rekening konden openen. Dat kon, al meldde #degiro erbij dat de aandelenrekening wel aan onze en-of-rekening gekoppeld kon worden, maar dat het nog niet mogelijk was om de aandelenrekening ook op twee namen te zetten. Maar daar werkten ze aan.

Aangezien mijn man niets van beleggen weet en ik alles, vertrouwde hij mij het beleggen van ons gemeenschappelijke spaargeld toe. Vandaag belde ik #degiro om te vragen of het al mogelijk was om de rekening op twee namen te zetten. Het antwoord was nee, maar in april zou alles anders worden. Ik merkte terloops op dat ik het een prettig idee vond dat het geld van de en-of-rekening ook in aandelen van ons samen zou zijn. Nu begon de meneer van #degiro te piepen. Ik mocht helemaal niet aan die aandelen zitten, want die waren van mijn man. Wat blijkbaar wel mocht was dat mijn man van onze rekening aandelen kocht op zijn naam.

Binnen een half uur ontving mijn man een mail van #degiro waarin ze hem waarschuwden dat zijn vrouw zijn aandelenrekening beheerde. En als ze (ik) daarmee zou doorgaan, de rekening gesloten zou worden.

Vanaf vandaag ga ik naast mijn man zitten terwijl hij inlogt en op aanwijzing van mij aandelen koopt van ons spaargeld. Net zo lang tot #degiro vrouw/man/relatie-vriendelijk wordt en toestaat dat je ook samen je geld in aandelen kunt stoppen.

Waarom het goed is om de hele zomer offline te zijn

hippy‘Wanneer schrijft u?’ Dat vragen kinderen wanneer ik voor de klas sta. Ik lieg altijd en zeg dat ik schrijf als mijn kinderen op school zitten. Ik lieg omdat ze het niet begrijpen wanneer ik zeg dat ik zodra zij in bed liggen ik nog door ga met schrijven, gewoon tot een uur ’s nachts. En dat er ook nauwelijks dagen zijn waarop ik niet werk. Ik ben er heel wat vrienden door kwijtgeraakt, maar om drie boeken per jaar te schrijven, kan ik niet anders dan hard werken en mijn vrienden verwaarlozen. Voor Margriet schreef ik een verhaal met de titel: ‘waarom ik meer aan mijn werk denk dan aan mijn kind‘.

Toen ik het mijn dochter liet lezen, keek ze verontwaardigd op en zei: ‘maar zo erg verwaarloos je ons niet!’ Het was lief dat ze dat zei en ik doe ook echt mijn best om de liefsten om me heen het idee te geven dat ik er altijd voor hen ben. Tussen negen uur ’s avonds en een uur ’s nachts bijvoorbeeld kunnen ze me altijd bellen.

Eind juni houden de scholen op en klap ik mijn laptop dicht. Dat doe ik al zo lang als mijn kinderen op school zitten. Twee maanden lang neem ik geen telefoon op, beantwoord geen mail en kijk ik niet een keer op Facebook. De leukste opdrachten krijg ik juist dan aangeboden. Een persreis naar de Maladiven, een hoofdartikel over kinderboeken, de herdruk van een kookboek dat ik al klaar heb liggen, ik zeg overal nee tegen. Sterker, ik zeg helemaal niets. Mijn computer en telefoon staan uit en ik ga twee maanden met mijn kinderen in de tuin zitten, naar Italië, Vlieland of naar ons buitenhuis in de Achterhoek. Mijn collega’s bij Psychologie Magazine hadden de grootste moeite om hun jaloezie te verbergen, maar lief als ze altijd zijn wensten ze me toch elk jaar weer een fijne vakantie twee maanden, toe maar, zag ik ze denken).

Hoe hard ik ook werk, al die boeken en projecten die zo belangrijk leken zal ik vergeten. En al die mensen die van alles van me wilden ook. Maar wat ik nooit vergeet is de dag dat ik met mijn dochter en haar vrienden naar het buitenhuis reed, ze zag stralen en zag hoe ze niet eens doorhadden dat ik ook nog in de auto zat. Het maakt me niet uit of de zon schijnt of dat de regen de hele zomer met bakken uit de lucht komt vallen. Dit is het leven en mooier dan dit wordt het niet, dus geniet ik er van, twee maanden lang. Ik zwaai dag.

Tot in september

Bel simpel

Ik heb een iphone waar ik van alles mee kan doen, behalve bellen. Daarom besloot ik over te stappen op een Motorola. Alleen vanwege die naam, en omdat je voor de prijs van 1 iphone vier Motorola’s kunt kopen. Met drie klikken had ik het ding besteld. Met nog twee klikken liet ik ‘m op de redactie van Psychologie Magazine bezorgen.

Enters: PostNL

De bezorger van PostNL besloot om mijn telefoon op zondagavond langs te brengen. Dat er op zondagavond nooit iemand aanwezig is op de redactie, maakte niet uit. Ik ontving een bericht dat mijn telefoon was afgeleverd. PostNL had er zelfs bewijs voor: een streepje dat iemand had gezet bij wijze van handtekening. Wie streepje was, was niet duidelijk. En wie de bezorger was ook niet. En wie er op zondagavond op de redactie de deur had opengedaan al helemaal niet.

Bel: simpel

Ik besloot PostNL te bellen. Ik had namelijk geen telefoon ontvangen, maar wel het bericht dat ie was bezorgd. Daar kon PostNl niets aan doen, want getekend was getekend. Op mijn vraag wie er dan had getekend, moesten ze me het antwoord schuldig blijven. Verdere klachten moest ik bij de webwinkel deponeren.

De webwinkel kon ook niet veel doen. Er was immers getekend voor ontvangst. Gelukkig besloten ze om een onderzoek in te stellen. Als eerste grepen ze mijn suggestie aan om de videobeelden van de bewakingscamera’s te bekijken. Zelf stelde ik voor om eerst PostNl te bellen.

Zowel verzender als PostNL beroepen zich op het feit dat er voor ontvangst getekend was. Bewijs voor levering. Ik vroeg een onderzoek in te stellen. de bezorger te eh… bellen bijvoorbeeld. Toen gebeurde er een wonder. Na een week werd de telefoon alsnog bezorgd. Waar die telefoon de hele week geweest was, kon niemand mij vertellen.

En dus diende ik een klacht in bij PostNl. Precies dezelfde telefoon was twee keer bezorgd. Een keer ergens anders en een week later bij mij. Vandaag werd ik gebeld door Sandra Noordhof, medewerkster van de klantenservice van PostNl. Ze had niet helemaal haar dag, want toen ik haar zei dat ik graag wilde weten waar de telefoon dan was geweest, zei ze dat de chauffeur het pakket per ongeluk verkeerd had bezorgd, niet meer wist waar, maar nog wel wist dat hij het daar een week later (ongeopend) alsnog kon ophalen. Toen ik doorvroeg en opperde dat de chauffeur mijn telefoon misschien wel gewoon bij zijn neef had laten bezorgen, begon Sandra te schreeuwen. Dat ik zo slecht over haar chauffeurs dacht. Ze bleef maar schreeuwen en elke keer als ik voorzichtig wilde zeggen dat ik degene was die de klacht had ingediend, riep ze: val me niet in de rede! Uiteindelijk heb ik maar neergelegd en gezegd dat ik blij ben dat ik haar niet ben. Als ik mocht kiezen zat ik liever op een zaterdagmiddag thuis met een kopje thee in de zon, spelende kinderen om me heen, dan dat ik Sandra was.

 

Ik ben acht redacteuren

Mijn uitgeefster belt. Ze heeft een prachtig plan. Iets met een boek, dat snel af moet. Ik luister naar haar en interview ondertussen op een andere lijn een bekende Nederlander die op de fiets op weg is naar haar nagelstyliste en niet goed verstaanbaar is. Mijn zoon belt om te vertellen dat hij niet thuis komt, omdat hij met vrienden in de stad eet, en of ik zijn hond wil uitlaten. Op de redactie heeft inmiddels iedereen zich ziek of zwanger gemeld en is iedereen die nog niet ziek of zwanger is, vast vroeg naar huis. ‘Ik ben vandaag acht redacteuren,’ zeg ik tegen mijn uitgeefster. ‘En een kinderboekenschrijfster.’ Op hetzelfde moment mailt een andere uitgever, met de vraag of ik het net ingeleverde boek binnen een week wil corrigeren. En daar komt alweer de volgende mail, van iemand van de televisie, die me graag wil filmen als ik maandag iets ga doen op een school. Iets wat ik al eerder had toegezegd, toen ik nog niet wist dat ik acht redacteuren was, en kinderboekenschrijver. ‘Zullen we morgen met de kinderen zelf pasta maken?’ appt mijn man. ‘Ja, leuk, stof jij de pastamachine vast af,’ antwoord ik. ‘Hallo, ben je er nog?’ vraagt mijn uitgeefster. Ik hoor de bekende Nederlander op de achtergrond antwoord geven op mijn vragen. Ik tik ze met mijn linkerhand op. Mijn gedachten dwalen af naar het Elvis Watt-boek dat ik thuis aan het schrijven ben. En naar het boek dat ik tijdens de kinderboekenweek in de winkel wil hebben. Pling, daar is een mail van mijn man. Wij zorgen in de weekenden samen voor zijn kinderen en door de week samen voor de mijne. We noemen ze alle vier de onze, maar daar denkt die andere moeder anders over. En dus stuurt ze lange brieven over wat we allemaal fout doen op ‘ons eiland’. Ze wil graag dat ik naar de andere kant van het land reis om met haar te lunchen. Ik lees de brieven met een half oog, terwijl ik de bekende Nederlander op de fiets interview, drie boeken schrijf, acht redacteuren vervang en mijn uitgeefster toezeg dat ik binnen twee maanden een heel nieuw boek schrijf. ‘Je kunt je leven niet in de lengte verlengen, dus doe ik het in de breedte,’ zeg ik tegen haar. Aan de andere kant blijft het even stil, dan zegt ze: ‘Ik raad jou aan om het in de lengte EN de breedte te verlengen.’ Thuis hang ik op de bank met mijn zoon en drink een kopje thee. Ik heb een man, twee huizen, vier kinderen en een hond. Ik ben acht redacteuren en toch heb ik altijd het idee dat de tijd van mij is. In Psychologie Magazine van deze maand staat er een verhaal over: druk zijn is voor sukkels, heet het. Drie maal raden wie het heeft geschreven.

Ecce homo

Het allergrappigste aan mijn grootouders is dat ze twee van hun kinderen Cock en Dick noemden. En nog grappiger was dat die twee in de jaren vijftig naar Canada emigreerden. Over geen van beiden gaat dit verhaal.

Vandaag las ik een interview met oud-politicus Tofik Dibi in de Volkskrant. Hij kwam uit de kast. Zijn verhaal raakte me. Hoe verdrietig moet het zijn om niet aan de buitenwereld te kunnen laten zien dat je als man van mannen houdt. Ik ben opgegroeid met twee ooms die allebei homo waren. Oom Dick was onzichtbaar in mijn leven, maar mijn oom Pim kwam elk jaar een paar weken lang bij mijn ouders logeren. Hij woonde in Parijs met zijn Marokkaanse vriend Machid. Ik genoot van hun verhalen over hun leven, deels in Parijs, deels in Marrakesh. En wat ik me vooral herinnerde is de heerlijke lucht die in huis hing als zij er waren. After shaves uit andere landen. Mijn vader ging met Machid naar de markt en samen kookten ze de lekkerste couscous ooit. Die twee prachtige, wereldse ooms van mij pasten zo goed in ons sprankelende gezin. En op een dag kwam mijn oom zonder zijn man. Waar hij was, vroegen mijn vader. Mijn oom Pim haalde zijn schouders op. Machid was in Parijs getrouwd met een vrouw die Sarah heette. Ik was vijftien en begreep er niets van. Hij was toch homo, hij hield toch van mijn oom? Ze woonden toch samen? Volgens mijn oom kon het niet anders. In Marokko had niemand er moeilijk over gedaan als ze hand in hand liepen. Dat was voor mannen heel gewoon, zei hij. Maar uiteindelijk wilde de familie van Machid dat hij trouwde met een vrouw. Er moesten kinderen komen. Hij was nu wel lang genoeg homo geweest, vond hij. Ik geloof niet dat ik begreep hoe droevig het was voor mijn oom. Wat ik wel weet is dat ik diep verontwaardigd was. Ik wist ook niet goed wat ik nu van mijn Marokkaanse oom moest vinden. Nu ik het interview met Tofi Dibi lees, denk ik voor het eerst weer aan Machid en begrijp ik hoe groot zijn offer moet zijn geweest. Gelukkig ben ik kinderboekenschrijver en ga ik ooit een boek schrijven waarin ik Pim en Machid weer bij elkaar laat komen. Twee oude mannen die van elkaar hielden en elkaar pas weer vonden toen hun nichtje veertig jaar later kinderboekenschrijver werd.

Bloggen voor bejaarden

Bloggen is een beetje voor bejaarden. Ik zou eigenlijk moeten Instagrammen. Zelfs Twitter is al op zijn retour. Gelukkig ben ik nog wel heel hip en modern vergeleken bij de gemeente Amsterdam. Wie tijd over heeft, moet het volgende doen: splits je huis. Maakt niet uit hoe groot het is, maar hak het in stukken. Laat er tekeningen van maken, verbouw het voor een ton, zet er een nieuw dak op, laat het keuren op asbest, vervang de elektra, laat de buiten- en de binnenkant verven en vraag vergunningen aan voor elke deurklink die je wilt verplaatsen. Tot zo ver is het eenvoudig. Laat daarna een rapport maken van het fundament. Nee, begin daarmee, zodat je daar snel mee klaar bent. Betaal een flink bedrag aan een gerenommeerd bedrijf en laat ze in de archieven duiken, foto’s maken, lintmetingen doen, putten graven en daar een vuistdik rapport van maken. Ga met dat rapport naar de gemeente Amsterdam en dien het rapport in. Zorg dat er minstens drie mensen zijn die het rapport heen en weer schuiven, maar nooit op de juiste manier. Zorg dat persoon A het mailt naar persoon B, die het vervolgens niet leest omdat het rapport per mail is binnen gekomen en niet via de interne post. Zorg dat A en B niet met elkaar spreken. Vraag vervolgens persoon C om het uit te zoeken. Laat C naar B bellen, die vervolgens naar A mailt, wat niet mag, want dat had per gelukstelegram gemoeten. Vraag A om een vervanger in te huren en laten we die D noemen. Stuur het rapport naar D, vraag of die het naar B wil sturen, maar verklap niet dat dat per interne post moet, zodat B het wel leest, maar niet mag reageren. Vraag C waar A is. Laat C daarna B bellen, want wie A belt moet ook B bellen. Wacht daarna een tijdje en laat een nieuw rapport maken. Laat D ziek worden. Laat B van baan verwisselen. En schrijf daar dan een blogje over. Ik geef toe, het komt ouderwets over. Dat ga ik dan nu even twitteren.

Verlangen

la

Een paar zomers geleden wandelde ik met mijn man door Los Angeles. In een zijstraat ontdekten we een rode muur met Chinese tekens. Veel mooier dan het Hollywood-bord vonden wij. En dus fotografeerden we elkaar voor die muur. Het was augustus en we waren ontzettend gelukkig. We wisten niet of we verliefd naar elkaar moesten kijken of elkaar moesten fotograferen en dus deden we het allebei. We gebruikten de foto voor de Chinese muur allebei als profielfoto op Facebook en nooit vroegen we ons af wat die letters betekenden. Tot ik op een dag een Chinese vrouw sprak die vertelde dat ze mijn foto zo leuk vond. Er blijkt ‘desire’ boven mijn hoofd te staan, verlangen. Ik haalde opgelucht adem, want er had ook ‘poepchinees’ kunnen staan.

Niet met vreemde piraten meegaan

2009australiepoolenmetandy

Daar staat ze, mijn kleuter van zes met een paspoort in haar hand, op weg naar Engeland, helemaal alleen. Ze wiebelt van haar ene voet op haar andere en kijkt op haar telefoon. ‘Wat ben je groot geworden,’ wil ik zeggen. Het was nog maar gisteren dat ze zo klein was. Ze is hetzelfde meisje, in mijn ogen dan. Ik kijk naar haar zoals ik mijn moeder soms naar mij zie kijken. In de ogen van je moeder blijf je gewoon eeuwig zes. ‘Kijk mam, zonder handen!’

Mijn dochter gaat studeren. Vijf Engelse universiteiten willen haar wel hebben. Vandaag neemt ze het vliegtuig naar Bristol. Stad van piraten. Zwartbaard is er geboren. Er schijnen ook bandjes vandaan te komen. Maar uit elke Engelse stad komen bandjes. Bristol is geloof ik Portishead. Meer weet ik niet over de stad. Behalve dat mijn meisje er vandaag naartoe is. ‘Pas je goed op?’ vraag ik. ‘Goed uitkijken bij het oversteken, zeker in Engeland. En niet met vreemde piraten meegaan.’ Ze lacht, dan kijkt ze op haar telefoon en lacht harder. Het leven wacht, ze moet opschieten.

10cc

Vechtscheiding

In Quest Psychologie verscheen vandaag een artikel van mijn hand over vechtscheidingen. Sinds de invoering van het ouderschapsplan zes jaar geleden is het aantal vechtscheidingen met vijftien procent gestegen. In het artikel vraag ik me af hoe dat kan. Zelf droeg ik een klein beetje bij aan het verplicht stellen van dat ouderschapsplan. In 2004 schreef ik namelijk samen met mijn moeder – we zijn allebei psycholoog – een boek voor grootouders van wie de volwassen kinderen gingen scheiden. Mijn moeder, kinderpsycholoog, had namelijk in haar praktijk ontdekt dat grootouders aan vaderskant opvallend vaak het contact met hun kleinkinderen verloren. En hoewel er boeken waren over hoe je een hamster door een hoepel kon laten springen of kon aquarellen met je billen, bestond er geen boek voor deze (groot)ouders. Naar aanleiding van dat boek werden we gevraagd om mee te werken aan een voorstel voor de minister om het ouderschapsplan voortaan verplicht te stellen voor scheidende ouders met minderjarige kinderen. Zo geschiedde en sinds de invoering van dat plan vechten ouders elkaar dus de tent uit.

In de tijd dat mijn moeder en ik dat boek schreven, verloor een groot deel van de gescheiden vaders het contact met zijn kinderen. In de helft van de scheidingen bleven de kinderen in het eerste jaar na de scheiding niet één keer bij hun vader overnachten. Wat ik in de tijd dat ik dat boek schreef niet had kunnen voorzien, was dat ik zelf ook zou scheiden. Voordeel was nu wel dat ik in mijn eigen boek kon lezen hoe ik dat moest aanpakken. De vader van mijn kinderen en ik hebben vast hier en daar wat steken laten vallen, maar over het algemeen denk ik dat we allebei en ook onze twee kinderen, tevreden zijn met hoe we met z’n allen door één deur kunnen. Twee deuren om precies te zijn, want onze huizen staan gezellig boven op elkaar en we delen twee voordeuren, samen met mijn nieuwe man. Die nieuwe man heeft ook twee kinderen. Twee kinderen die bijna elk weekend bij ons zijn. Mijn zoon geeft ze pianoles, mijn dochter past op als wij uit eten gaan, ik hang de slingers op wanneer ze jarig zijn, leer ze Engels, lees ze voor, help ze met hun boekverslagen en ben in de vier jaar dat ze bij ons zijn van ze gaan houden. Ik voel me vaak moeder van een reusachtig gezin met al die mannen en kinderen om me heen. Toch een beetje Yiddish, zou mijn vader zeggen.

Maar nu, de vechtscheiding. Mijn man en de moeder van zijn kinderen, kunnen weer niet zo goed door één deur. Gelukkig beperkt hun omgang zich tot de zondagmiddag waarop hun moeder ze komt ophalen en we allemaal onhandig jassen en kaplaarzen uitwisselen. De kinderen zitten vaak onder de modder omdat ze bij ons echte buitenkinderen zijn. Ze halen mottenballen uit elkaar, stampen door de plassen, vissen naar kikkerdril en gaan mee op lange wandeltochten. Een televisie hebben we niet, de computer mag ook niet aan en daarmee hebben we onze eigen weekend-bubble gemaakt. We zijn een Unox-reclame met een vleugje Merci.

En dan Jeugdzorg. Op een dag viel er een brief in de bus. De zondagmoeder had op school verteld dat ze de communicatie over de kinderen even niet aan kon en dat hun vader dat voortaan moest doen. Zij gooide de handdoek in de ring, schreef ze. De school had er melding van gemaakt bij het meldpunt Kindermishandeling en daarna volgden maanden van ontmoetingen en slecht geschreven mails tussen alle partijen. Ik hield me er zo veel mogelijk van afzijdig en geloofde dat het wel goed zou komen allemaal. Per slot van rekening was dat hele ouderschapsplan waar ik zelf zo’n voorstander van was geweest er niet voor niks. Wat wel opviel was dat er op de zondagen in de gang steeds meer werd gezwegen. Zo veel, dat er vandaag een meneer van Jeugdzorg belde die vertelde dat mijn man zijn kinderen voortaan nog maar één keer per maand te zien zou krijgen. Waarom dat precies beter was voor de kinderen, kon hij niet zeggen. En misschien heeft hij het wel gezegd, maar is mijn man het door de verbazing vergeten. Mooi is wel dat ik indertijd mee heb geholpen aan de kleine lettertjes van dat ouderschapsplan. Eenmaal opgesteld is het alleen nog aan te passen door tussenkomst van de Kinderrechter. Ik kan me niet voorstellen dat er één rechter is die in zo’n geval zegt dat het beter is voor kinderen om hun vader minder te zien wanneer diezelfde kinderen er zo gelukkig zijn.

Maar goed, zorgen zijn voor later zorg. Eerst maar eens dat verhaal herlezen in Psychologie Quest.

Energielabel van een gezonken woonboot in de winter

De man met wie ik was en ik woonden als studenten in zijn woonboot. Eigenlijk was het meer een kartonnen bak met een dakje erop, maar wij vonden het een echt huis. Er was geen verwarming, behalve een oliekachel en het eerste jaar dat we er woonden hingen er ijspegels aan onze neuzen, ook in de zomer. Het maakte niet uit of de ramen open of dicht stonden, de wind blies er van alle kanten doorheen. We droegen zeven truien over elkaar die zijn oma voor ons breide in grappige jaren tachtig-kleuren. Het leven was ijskoud, maar goed.

Inmiddels wonen we in een huis in wat makelaars de mooiste straat van het pittoreske Watergraafsmeer noemen. En in die straat wonen we ook nog eens in een van de mooiste huizen. We hebben het huis aan alle kanten dichtgemaakt zodat de wind er nergens doorheen kan. Extra dikke muren, dubbele beglazing en een dak van thermisch piepschuim. Binnen zorgen energiezuinige cv-ketels en geïsoleerde vloeren voor warmte. Het leven is heerlijk warm. We zijn inmiddels gescheiden, dat wel.

Het huis kreeg deze week een energielabel, een G. De man met wie ik was schreef: “En dat is niet de G van Groen of Goed maar van de slechtste die er is. We staan op het zelfde niveau als een gezonken woonboot in de winter zeg maar.” Ik beloofde hem me in de materie te verdiepen, maar op de officiële site van de Rijksoverheid – energielabelvoorwoningen.nl vind ik de volgende tekst:

Een energielabel geeft de mate van energiezuinigheid van uw woning aan. Heeft u label G dan is uw woning zeer energiezuinig, heeft u label A dan is uw woning behoorlijk energiezuinig.

Nu ben ik vreselijk benieuwd naar de labels B t/m F, waarschijnlijk hebben die de omschrijving nogal zuinig, best wel zuinig, erg zuinig en redelijk zuinig. Ik denk dat de tekstschrijver die hier aan het werk is geweest in een goede bui was. Wanneer je gelukkig bent is energiezuinig een relatief begrip.